Tsss, laat ik met mijn interview in De Pers een heus internetstormpje hebben veroorzaakt.

Helemaal verbazingwekkend is dat niet omdat, met dank aan Geert Wilders, elke opmerking over de Islam inmiddels voor de hevigste emoties zorgt. Dat tendentieuze samenvattingen in de Telegraaf en Spitsnieuws op internetfora tot xenofobe, onderbuikoprispingen leiden, beschouw ik inmiddels als een niet meer weg te denken (maar betreurd) onderdeel van het publieke debat. Deze laat ik onbesproken. Maar wat mij wel verbaast zijn sommige hevige, en soms zelfs ronduit kwaadaardige reacties uit progressieve kring. Temeer daar geen van de opvattingen die ik uitdraag nieuw is (alles heb ik al eens eerder gezegd), zij het dat het mogelijk wat scherper want bondiger is gesteld. Een paar opmerkingen van mij bij alle reacties.

1. Islamkritiek

Ik voel mij deel van een progressieve stroming die – ook tegenover Wilders en opkomende Islamofobie – de godsdienstvrijheid verdedigt. Wat mij betreft komt aan de godsdienstvrijheid alleen een einde als religieuze organisaties criminele activiteiten ontplooien of de godsdienstvrijheid gebruiken als een argument om andere mensenrechten te schenden. Er kan dus geenberoep worden gedaan op de godsdienstvrijheid om vrouwen te mishandelen, te vernederen of achter te stellen, of om homoseksuelen te discrimineren. Maar zo lang daar geen sprake van is, zijn mensen vrij om te geloven wat ze willen en dat uit te dragen. Bij geloofsvrijheid hoort voor mij ook de vrijheid om dat geloof te bekritiseren. Juist in een beweging als GroenLinks, waar van oudsher veel – buitengewoon – kritische christenen deel van uitmaken, zijn godsdienstvrijheid en -kritiek, twee zijden van dezelfde medaille (hoewel een enkeling dat nu lijkt te vergeten).

Mijn opmerkingen in De Pers zijn volledig in lijn met deze opvatting. Ik verdedig het recht van mensen om orthodoxe islamitische opvattingen te hebben en verdedig mijn recht om daar problemen mee te hebben. Sommige ‘close readers’ maken vooral heisa over het zinnetje ‘Ik merk het in mijn wijk: natuurlijk is de islam een probleem’, want daarmee zou ik een hele wereldgodsdienst diskwalificeren. Tsja, dat is vooral ‘bijziend lezen‘, want uit elk bijgeleverd citaat blijkt dat het mij gaat om orthodoxe en conservatieve religieuze opvattingen die slecht zijn voor de vrijheid en emancipatie van vrouwen.

Mijn indruk is dat sommige van mijn critici, ook uit verontwaardiging tegen Geert Wilders, verdediging van de Islamitische godsdienstvrijheid verwarren met kritiekloosheid. Neem iemand als Anja Meulenbelt die mij op hoge toon de les leest. Ik ben er zeker van dat als ik in de Tweede Kamer de SGP en hun gereformeerde achterban zou aanvallen op hun religieuze, discriminerende opvattingen over vrouwen en homo’s, zij vooraan staat te juichen. Maar als je vergelijkbare opmerkingen maakt over vergelijkbare Islamitische overtuigingen is het huis te klein.

Met haar en vele anderen vind ik de selectieve en discriminerende verontwaardiging van Geert Wilders over de Islam weerzinwekkend. Maar ik denk dat progressieve mensen een grote fout maken als zij dat beantwoorden met even selectieve kritiekloosheid. Moslims mogen niet gediscrimineerd worden om hun geloof, maar sommige Islamitische overtuigingen verdienen stevige kritiek. Wie daarover twijfelt, moet vooral eens het commentaar op mijn interview lezen van Sheikh Fawaz Jneid van de As-soennah moskee in den Haag.

De progressieve beweging in Nederland heeft een lange traditie in de verdediging van de mensenrechten en van vrouwenemancipatie. Wij bewijzen onszelf geen dienst als wij ons – in verweer tegen Geert Wilders – politieke correctheid laten opdringen waarbij we goedpraten wat niet goed is. Dan wordt de ruimte voor progressief debat ook veel te klein.

2. Het hoofddoekje

In de 12 jaar dat ik in de politiek zit heb ik er altijd tegen gevochten dat Islamitische vrouwen de toegang tot de arbeidsmarkt, het onderwijs en soms zelfs de publieke sfeer werd geweigerd omdat zij een hoofddoek dragen. Vrouwenemancipatie betekent voor mij in essentie dat vrouwen overal toegang toe hebben en alle kansen krijgen. Dus heb ik ook verdedigd dat vrouwen met een hoofddoek politie-agent kunnen worden, overigens als één van de heel weinigen in Nederland. Dit herhaal ik ook nog eens in het interview. Maar dat ik achterstelling van gelovige vrouwen niet accepteer, maakt mij nog niet tot een fan van de hoofddoek.

Laat ik een vergelijkbaar voorbeeld geven. Lang was het in Nederland zo dat getrouwde vrouwen de toegang tot de arbeidsmarkt werd geweigerd of dat zij na een huwelijk werden ontslagen. Als dat nu nog het geval zou zijn dan zou ik daartegen de barricaden op gaan. Maar dat maakt me nog geen fan van het huwelijk. Laat staan dat ik uit misplaatste solidariteit zou trouwen. Solidariteit uit je door te vechten voor de vrijheid en rechten van getrouwde of gesluierde vrouwen, niet door er zelf één te worden (waartoe in Trouw en door Meulenbelt absurd wordt opgeroepen).

Ik respecteer vanzelfsprekend de autonome keuze van veel Islamitische vrouwen om, zoals Fatima Elatik, een hoofddoek te dragen als deel van hun (religieuze) identiteit. Die zal ik ook nooit aantasten. Maar ik vind dat degenen die nu vooral de schoonheid van de hoofddoek verheerlijken, eens moeten nadenken over de opmerking van een Islamitisch meisje in een mail aan mij: ‘zo dwing ik ook respect af’. En wie nog twijfelt over de vele keren dat het dragen van een hoofddoek voortkomt uit sociale en religieuze dwang (of drang), moet vooral de retorische vraag van Sheikh Fawaz Jneid eens op zich laten inwerken: ‘Welke vrouwen zijn vaker het doelwit van verkrachtingen en seksuele intimidaties in de wereld? Gesluierde vrouwen of niet-gesluierde?’