Goedemiddag,

Ik neem aan dat u de hele dag elkaar de nieren heeft geproefd en ik kan me voorstellen dat u aan het einde van de dag niet zo veel behoefte heeft om nog eens de les te worden gelezen. Maar, zoals u wellicht weet, ben ik lang een linkse politicus geweest en ik kan niet anders dan de les lezen.

Nu realiseer ik me ook dat mij enige bescheidenheid past. Mijn rechtstreekse ervaring met het HBO is beperkt.

In een heel, heel grijs verleden ben ik zelf een aantal jaren student geweest aan een HBO-instelling, een lerarenopleiding. Dat was niet echt tot mijn eigen genoegen en nog minder tot dat van mijn eigen docenten. Overigens lag dat wellicht minder aan de school dan aan mijn intens beleefde adolescentie die mij overal bracht maar niet in de schoolbankjes.
De keren dat ik wel aanwezig was, en niet om te demonstreren tegen onderwijsbezuinigingen (we spreken hier over het einde van de jaren tachtig), leerde ik minder dan dat ik intensieve, maar ook richtingloze discussies voerde met docenten. Ik wilde docent Nederlands en geschiedenis worden en verzette me hevig tegen de toenmalige modes van de onderwijsdidactiek. In mijn lerarenopleiding-jaren was de onderwijsbijbel een slecht geschreven boekje dat ‘de groep onder de loep’ heette en handelde over groepsdynamica, een begrip dat toen erg in zwang was.
Voornamelijk in abstracto en een enkele keer op onszelf in een – vanzelfsprekend – dynamisch groepsgebeuren toegepast, bekwaamden wij ons in de kunst van het leren ‘feedback geven’.
Kort gezegd kwam het er op neer wat wij als toekomstige leraren nooit tegen onze leerlingen mochten zeggen dat ze iets niet goed hadden gedaan maar bijvoorbeeld: ‘als ik naar mezelf zou kijken dan zou ik het wellicht een beetje anders hebben gedaan’. Of woorden van gelijke strekking.
Degenen die mijn politieke carriere de afgelopen enigszins hebben gevolgd weten dat ik van deze omzwachtelende omschrijvingen eindeloos profijt heb gehad (in mijn geschreven tekst staat hier een ironieteken; voor degene die dit misschien even ontgaat).

Bescheidenheid dus, want behoudens deze – wellicht – ernstig gedateerde anekdote beperkt mijn praktijkervaring met het HBO zich tot een enkele gastles die ik de afgelopen jaren mocht verzorgen en een tot in de puntjes geregeld en verzorgd werkbezoek, waarbij de vlag uit- en de slingers opgehangen waren. Maar laat ik daar ook bij melden dat bescheidenheid niet mijn sterkste eigenschap is.

Wel realiseer ik me dat het te gemakkelijk is meesmuilend te zijn over de problemen waarmee een aantal HBO-instellingen worstelen of onderwijsmethoden die in de jaren tachtig al hun langste tijd hadden gehad. Een oud-politicus, zoals ik, behoort zich te realiseren dat veel van de problemen die er zijn hun oorsprong vinden in de politieke domein. Het domein waartoe ik, zij het dikwijls morrend, de afgelopen 13 jaar heb behoord.
Tegelijkertijd sta ik hier ook niet om het u gemakkelijk te maken. De titel van mijn betoog is ‘kiezen als een vorm van luiheid’, en ik moet eerlijk gezegd bekennen dat dit ook een plaagstootje is jegens de organisatie omdat ik de titel van het congres ‘gekozen, en dan …’ even cryptisch als veelzeggend vind.

U komt hier bijeen onder een onrustig gesternte. De afgelopen jaren is er meer negatieve aandacht voor het HBO geweest dan u lief is, waarbij met name de perikelen bij de Hogeschool Inholland, maar niet alleen daar, veel publieke aandacht hebben gekregen. U bent in afwachting van een rapport van de inspectie en velen zullen daar ook hun hart voor vasthouden.
Zoals de nieuwe voorzitter van de HBO-raad, Guusje ter Horst, vanochtend in de Volkskrant terecht opmerkt: ‘het imago van hogescholen heeft een knauw gehad.
En laat ik zo vrij zijn daaraan toe te voegen: niet alleen het imago. Ook de motivatie van veel docenten en studenten. Het HBO kampt met het imago van een topzware publieke sector waarin veel verdienende bestuurders zich vooral bezig lijken te houden met het economische en financiële rendement van instellingen, daarbij geholpen door perverse economische prikkels en fusiedwang die afleidt van het primaire onderwijsproces. En dat is waarom het eigenlijk gaat.

In het jaarverslag 2006 heeft de vice-voorzitter van de raad van State, Herman Tjeenk Willink, haarscherp geanalyseerd wat de ziekte is van onze publieke sfeer.

Hij beschrijft het bedrijfsmatige denken dat in de jaren tachtig zijn entree maakte en in de jaren negentig tot grote bloei kwam. Ook de commissie Onderwijsvernieuwing, de commissie Dijsselbloem, noemt dit.
De overheid is zichzelf in toenemende mate gaan beschouwen als een bedrijf waarbij het vooral gaat om management, beheer en toezicht.

Recent in een gesprek met mij voegde Tjeenk Willink daar aan toe dat er een sluipende verandering is geweest bij de overheid. Was deze vroeger (grofweg 25 jaar geleden) nog in overgrote mate opgebouwd uit juristen die zich met name bekommerden om de rechtmatigheid van het bestuurlijke handelen en de juistheid van wetten; langzaam maar zeker – met het uitdijen van het overheidsapparaat – is hun dominante plek overgenomen door economen, bedrijfs- en bestuurskundigen.

Met zich droegen zij andere taal en andere opvattingen van goed bestuur
Kernbegrippen in het overheidshandelen van de afgelopen decennia zijn geworden ‘producten’, ‘kostentoedeling’, ‘prestatiemeting’, ‘afrekenen’.
En langzaam maar zeker zijn alle verbindingen met uitvoerende diensten, of het nou in het onderwijs is, bij de politie, of in de zorg, in deze begrippen gevangen geraakt. Simpel gezegd. Een jeugdzorgwerker wordt niet gewaardeerd op zijn liefdevolle, dagelijkse kennis van de jongeren die hij begeleid maar zijn prestaties worden ingeschaald op een papieren index.

Ook het onderwijs is hiervan niet gevrijwaard gebleven. Zowel in het lager als het hoger onderwijs zijn er economische prikkels ingevoerd die zouden moeten leiden tot een hoger rendement – lagere kosten, hogere output (om maar even in economisch jargon te blijven), zijn er bestuurders en toezichthouders aangetrokken die modelmatig, grote gefuseerde onderwijsinstellingen als bedrijven zijn gaan aansturen.
Dit is allemaal gebeurd op initiatief en met instemming van parlement en politiek bestuur.

De analyse is niet nieuw. Maar de werkelijke terugkeer van de weg die is ingeslagen, is ook nog niet werkelijk in gang gezet.
In datzelfde jaarverslag beschrijft Tjeenk Willink ook waarom dat zo moeilijk is. De politiek heeft zichzelf bewust – willens en wetens – op afstand gezet en haar controlerende en richtinggevende taken overgelaten aan verzelfstandigde besturen en sectorraden, op wier uitnodiging ik hier sta.
In de analyse van Tjeenk Willink wordt de bedrijfsmatige overheid versterkt en in stand gehouden door een langzaam ontstaan netwerk van overheid en markt, ambtenaren en deskundigen, tekenmeesters en onderzoekers, communicatiedeskundigen en toezichthouders, adviseurs en managers. Het gaat om mensen die dezelfde taal spreken, langs dezelfde lijnen denken en geloven in dezelfde bedrijfsmatige aanpak van grote maatschappelijke problemen. Dit netwerk is een bepalende laag geworden tussen de politiek en de dagelijkse werkelijkheid van bijvoorbeeld dokters en patienten, agenten en slachtoffers, maar ook van leraren en leerlingen.
Als politici op de hoogte raken van de problemen waarmee leraren en leerlingen kampen, dan is het meestal in de aangepaste vorm, in de taal, de probleemanalyse en de oplossingsrichtingen die in de tussenlaag zijn bedacht. En deze laag houdt zichzelf in stand.

In zijn zwartboek ‘Inholland’ beschrijft de freelance-journalist en voormalig docent aan de Hogeschool, Hans van Willigenburg, de kafkaëske situatie waar hij als onervaren docent journalistiek mee wordt geconfronteerd. Hoe hij via postbussen en talloze formulieren communiceert met de leidinggevenden, hoe studenten mopperend door de gangen trekken maar er niemand verantwoordelijk lijkt te zijn voor het in goede banen leiden van de onvrede en hoe – in plaats daarvan – met tevredenheidenquêtes wordt gestrooid. Hij beschrijft ook hoe hij via een andere docent inzage krijgt in de stukken van het Bestuur en zij beiden in verwarring de excell-sheets bestuderen en er geen snars van snappen, al helemaal niet begrijpen wat dit met hun onderwijs te maken heeft.

Dit is misschien al te zwartgallig, en in zijn werkelijkheidswaarde beperkt tot de paar HBO-instellingen waar het de afgelopen jaren ook goed is misgegaan.
Want laat ik het eens helemaal omdraaien – voordat u me langzaam maar zeker begint te haten.
U allen hier aanwezig, vertegenwoordigt een prachtig deel van onze publieke sfeer: de hogere beroepsopleidingen van onze jongeren.
Met het overgrote deel van onze HBO-opleidingen gaat het ook goed, al kan het beter. Veel studenten zijn wel degelijk tevreden, studeren met inzet en verdienen hun diploma’s met recht en rede. De meeste bestuurders zijn betrokken bij, en heel goed geïnformeerd over wat er in de onderwijsinstellingen gebeurt. Er is, lijkt mij ook een groot besef aanwezig, dat er een einde moet komen aan het bedrijfsmatige denken, dat grootschaligheid lang niet altijd grotere efficiëntie en effectiviteit betekent en dat – het belangrijkste van alles – bij alle komende veranderingen – de student veel meer centraal moet worden gezet dan de afgelopen jaren gebeurde.
U bent hier samen, dragers van een van de belangrijkste publieke waarden in onze samenleving: het recht en het belang van jonge mensen om zich volop en naar vermogen te kunnen en mogen ontwikkelen. Dat mag u veel beroepstrots en –eer geven.

Toch vond ik het nodig om de kritische analyse van Herman Tjeenk Willink nog eens op u los te laten. Deels ingegeven door het interview met de nieuwe Raadsvoorzitter van vanochtend, deels door het gekozen thema van de dag.

Terecht vraagt Guusje ter Horst aandacht voor de onmogelijkheid van bezuinigingen op het Hoger onderwijs, als er tegelijkertijd een dringend beroep op onderwijsgevenden wordt gedaan om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Terecht ook, stelt zij de bezoldiging aan de kaak van onderwijsbestuurders. Tegelijkertijd demonstreert haar oproep om de bezoldiging te beperken ook hoeveel er nog mis is aan de top. En als zij dan zelf opmerkt dat het ‘rendement’ omhoog moet van de opleidingen, na een samenzijn met de 41 voorzitters van de colleges van bestuur, fronst er bij mij wel een wenkbrauw.

Dat gebeurt ook door het thema van de dag: ‘gekozen .. en dan’. Een titel die even cryptisch is als zij veelzeggend is.
De inkt van het rapport van de Commissie Dijsselbloem – waarin werd gewaarschuwd tegen de zoveelste onderwijsvernieuwing – was nog niet droog, of de tweede kamer boog zich – daartoe geïnspireerd door sectorraden, bestuurders en onderwijsadviseurs – over de volgende onderwijsvernieuwing.

Politieke en bestuurlijke daadkracht is een overschat begrip. Het is dikwijls de vlucht naar voren uit een politiek, en maatschappelijk, netelige situatie. Keuzes maken, nieuwe formatten, protocollen, leerwegen, bestuurlijke drukte, het zijn vaak doekjes voor het bloeden: dikwijls leidt het tot een verdikking van bureaucratie, worden besluiten ondoorzichtiger. Kiezen voor verandering als een vorm van luiheid.
Verandering is goed, zo lang het een doel dient.
Voorafgaand aan de vraag ‘keuzes maken … en dan?’ moet de vraag beantwoord worden, ‘welke keuzes willen wij eigenlijk maken’? Welke verandering hebben wij nodig?

Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat het thema van vandaag het gevolg is van een zekere richtingloosheid waarmee grote onderwijsinstellingen kampen.

En laat ik dan ook tot slot – volstrekt onbescheiden – een paar hartekreten ventileren.

    • Ik ben ervan overtuigd dat de cultuur van bobo’s, managers en bestuurders in met name de grote onderwijsinstellingen problematisch is. Lang niet altijd, maar wel te vaak, gaat het om mensen die ongeveer even weinig kennis hebben van de werkvloer op de opleiding, de dagelijkse praktijk van docenten en studenten, als ik. Die onderwijsinstellingen willen leiden als een bedrijf en onderwijs beschouwen als een markt, wat het ten diepste niet is.
    • Denk kritisch na over de noodzaak en de aard van sectorraden. Guusje ter Horst heeft gelijk dat het niet vanzelfsprekend beter is als de 72 medewerkers van de HBO-raad worden toegevoegd aan het ministerie, maar sta er ook open voor dat een meer rechtstreekse relatie tussen HBO-instellingen en politiek bestuur bij de laatsten kan leiden tot een beter inzicht en besef van de noden in het hoger onderwijs. Omdat u wellicht ongewild en onbedoeld deel uitmaakt en blijft uitmaken van een netwerk van experts, managers en professionals, die een filter en een – plezierige – buffer is voor de politiek.
    • Maak een einde aan het economische rendementsdenken dat onze publieke sfeer al zo lang verziekt.
      Natuurlijk ligt hier een eerste verantwoordelijkheid bij de politiek, maar niet daar alleen. Kom gezamenlijk in actie tegen de perverse prikkels die uitgaan van de huidige bezoldigings- en financieringsstructuur van bestuurders en van de opleidingen zelf.
    • En als belangrijkste, betrek de docenten, maar ook de studenten, bij alle keuzes die u nog wilt gaan maken en geef hen een rol bij de vormgeving en inrichting van uw opleidingen.

Er is een beroemd boek van James Surowiecki dat heet ‘the wisdom of crowds’, waarin hij na onderzoek vaststelt dat een besluit dat tot stand komt na consultatie van velen, verstandiger is, kwalitatief beter is en breder wordt gedragen.

Tot slot. Mij werd ooit op de lerarenopleiding geleerd dat positieve feedback geven beter is dan kritisch zijn. Nu u naar mij geluisterd heeft denkt u wellicht ‘ze had vroeger beter naar haar docenten moeten luisteren’.
En gelijk heeft u.

19 april 2011, Jaarcongres HBO-raad