Facebook

ROB Lezing 2016

Lezing door Femke Halsema in opdracht van de Raad voor Openbaar Bestuur
23 november 2016 te Den Haag

 

Wie is het meest gekwetst?

Identiteitspolitiek of het einde van de pluriforme samenleving

 

Tijdens een etentje, kort na de Amerikaanse verkiezingen, kwam Donald Trumps overwinning ter sprake. Naast mij zat een jonge vrouw die, na een tijd geluisterd te hebben plotseling zei: ‘Ons gesprek komt me absurdistisch voor. Zoals wij hier zitten, met het gesprek dat wij voeren, zijn wij voor veel mensen juist een reden om Trump te steunen’. Even was het ongemakkelijk stil. Het klopte wat ze zei. Het overwegend links-progressieve gezelschap rond de tafel putte zich uit in redelijke analyses van het opkomende nationalisme en racisme maar tegelijkertijd was de afschuw erover bijna tastbaar.

Nu ik voor u sta, voor deze goed gevulde zaal van vooral middelbare professionals, treft me dezelfde notie van absurdisme. U allen, strak in het pak en goed opgeleid; ik veronderstel dat u hoofdzakelijk werkt in de (semi-)publieke sector. In de meeste gevallen geeft u leiding en ontvangt u meer dan redelijke, marktconforme inkomens. U behoort onmiskenbaar tot het establishment en daardoor bent u in populistische retoriek de oorzaak van veel maatschappelijke ellende. ‘U staat tegenover het volk’, luidt het verwijt op televisie in talkshows en op social media. Dat niet alles u is komen aanwaaien, dat u zich juist begaan voelt en wilt inzetten voor de samenleving, dat u ook uw zorgen hebt, valt weg tegen de luidkeels, telkens herhaalde verwijten over uw elitarisme. Door uw maatschappelijke positie, uw opleidingsniveau en uw werkzaamheden in de publieke sfeer hoort u bij een groep en die groep is net als uw verweer niet gewenst.

Overigens treft deze lezing, ongeacht de inhoud, vermoed ik eenzelfde lot. Door mijn identiteit als linkse, vrouwelijke, witte, voormalige politicus kan deze simpelweg niet deugen.

 

Een week voor de Amerikaanse verkiezingen schreef de gematigde republikein David Brooks in de New York Times dat het politieke debat over filosofische en ideologische tegenstellingen helemaal was verdwenen. Ooit, stelde hij, was politiek vooral een debat tussen liberalen en conservatieven, tussen tegengestelde opvattingen over de markt, de staat, over waarden of over de rol die de Verenigde Staten in de wereld kunnen spelen: ‘But this year everything has been stripped down to the bone. Politics is dividing along crude identity lines — along race and class. Are you a native-born white or are you an outsider? Are you one of the people or one of the elites? Politics is no longer about argument or discussion; it’s about trying to put your opponents into the box of the untouchables.’[1]

Nu denk ik dat het beeld dat hij schetst van de Amerikaanse politiek in de afgelopen decennia nostalgisch is. Het neemt niet weg dat zijn analyse correct is dat identitypolitics – identiteitspolitiek – het hart was van de Amerikaanse verkiezingsstrijd het afgelopen jaar. En Trump was er tijdens de verkiezingen niet de uitvinder maar wel het symbool van.

 

Ook in Nederland is identiteitspolitiek aan een snelle opmars bezig. In het publieke en politieke debat wedijveren de ‘boze blanke man’ en de ‘zwarte vrouw’ in gekwetstheid, elkaar en bijvoorbeeld de ‘wegkijkende elite’, ‘de reaguurder’, ‘de boosneger’, de ‘bakfietsmoeder’ of ‘tokkies’ de schuld gevend van alle ellende. Iemand die zich als witte, zwarte, man, vrouw, Hollander of moslim gekrenkt voelt, vindt daarin de rechtvaardiging om de tegenstander te trakteren op spiegelbeeldige en vernederende typeringen. Er is een wedloop ontstaan in gekrenkte identiteiten, in publiek breed uitgemeten slachtofferschap dat de opvattingen over maatschappelijke ontwikkelingen verdringt. Dit kan een absurde vorm aannemen als een 55-jarige, blanke Amsterdammer in een opinieartikel een Marokkaanse man voorhoudt dat hij net zo weinig kansen heeft gehad maar ‘wat ik niet doe is jammeren over hoe oneerlijk het allemaal is geweest dat ik vanwege mijn afkomst, sociale status en accent allemaal kansen niet heb gekregen (..)’[2].

 

De vraag is wat de oorzaak is van de diepe gekwetstheid die niet alleen een groot deel van de Amerikaanse bevolking heeft gemotiveerd om op Trump te stemmen en zich ook in Nederland manifesteert in polarisatie. Kan het tij gekeerd worden? Is het mogelijk om verdere maatschappelijke verharding te verminderen ten gunste van een inhoudelijke discussie zonder dat de gevoelens van gekwetstheid worden miskend of genegeerd?

 

Identiteit en emancipatie

 

Identiteitspolitiek is geen nieuw fenomeen maar stamt uit de jaren zestig en zeventig. De samenleving ontworstelde zich aan de ijzeren greep van standen en aan de dwingende autoriteit van staat en kerk. Journalist Henk Hofland schreef dat de burger gedekoloniseerd raakte[3]: hij mocht zijn eigen lot gaan bepalen en zou als individu, met zijn hoogstpersoonlijke identiteit erkend en gerespecteerd worden. Er ontstonden nieuwe sociale verbanden en groepen, vaak beginnend als protestgroepen tegen de conventionele samenleving, waarbij de net gedekoloniseerde burgers zich aansloten. Samen eisten zij het recht op om afwijkend te mogen zijn van de burgerlijke norm: vrouwen, zwarten, homoseksuelen, jongeren wilden anders, vrij en onconventioneel kunnen zijn. Zij maakten hun identiteit – hun sekse, kleur, seksuele voorkeur, leeftijd, handicaps enzovoort  – tot inzet van politieke strijd en eisten gelijke toegang tot de publieke sfeer. ‘Het persoonlijke is politiek’ luidde de titel van de memoires van Hedy d’Ancona  en daarmee verwees zij bewust naar de hoogtijdagen uit de tweede feministische golf toen vrouwen de slogan gebruikten om gelijktijdig thuis en in de publieke sfeer gelijkheid te eisen. Zij wilden publiek en politiek respect en maakten van hun vrouw-zijn hun belangrijkste strijdmiddel.

 

In identiteitspolitiek verenigden zich twee aan elkaar tegengestelde ambities. Het was een aanval op de beklemmende uniformiteit van de burgerlijke cultuur die in de Verenigde Staten en in Europa regeerde. Zwarten met afrokapsels, verliefde homoseksuelen, alleenstaande werkende moeders accepteerden niet langer dat ze onzichtbaar werden gemaakt en in de maatschappelijke en culturele marge werden gedrukt. Zij wilden hun stempel kunnen drukken op de mainstreamcultuur en deze met een aanwezigheid veelkleuriger, opener en onconventioneler maken.

Tegelijkertijd moest identiteitspolitiek juist leiden tot de opheffing ervan. Uiteindelijk zou je etnische of seksuele identiteit geen verschil meer moeten maken voor je positie in de publieke sfeer. Democratisch burgerschap, invloed en medezeggenschap mochten niet langer zijn voorbehouden aan blanke, middelbare heren van stand maar moesten ook toegankelijk zijn voor bijvoorbeeld openlijk lesbische vrouwen. In een postraciale samenleving, in een feministische cultuur, zouden mensen niet langer ingedeeld en beoordeeld worden op hun identiteit maar deze als vrije, gelijkwaardige burgers gezamenlijk juist overstijgen. Het verschil in kleur, sekse, seksualiteit of milieu zou niet verdwijnen maar zou niet meer moeten leiden tot politieke hiërarchie en zelfs uitsluiting. Terwijl de persoonlijke identiteit dus werd ingezet als een politiek pressie-instrument moest deze uiteindelijk ook zijn politieke betekenis verliezen. Of zoals de Amerikaanse schrijver Ta-Nehisi Coates in 2015, als een late echo van het activisme uit de jaren zeventig schreef: ‘Put differently, we should seek not a world where the black race and the white race live in harmony, but a world in which the terms black and white have no real political meaning’.[4]

 

Identiteitspolitiek bleek buitengewoon effectief. De zwarte burgerrechtenbeweging in de VS, de vrouwenbeweging wereldwijd, de homobeweging in Amerika en West Europa boekten grote resultaten in gelijkberechtiging en het afschaffen van discriminerende en beperkende wetgeving.

In Nederland vond de identiteitspolitiek uit die jaren haar hoogtepunt in de grondwetswijzigingen van 1983. Als eerste werd een nieuw artikel één toegevoegd: het discriminatieverbod. Daarmee werd officieel gemarkeerd dat discriminatie door de staat uit den boze was en dat iedereen in Nederland gelijk behandeld diende te worden ongeacht zijn achtergrond en identiteit. Tegelijkertijd werden een aantal sociale grondrechten toegevoegd die de overheid verplichtte zich in te spannen voor de welvaart en het welzijn van alle burgers. De overheid had zorg te dragen voor voldoende werkgelegenheid, een bestaansminimum, goede volksgezondheid, huisvesting en onderwijs.

Achterstand en achterstelling werden met andere woorden niet langer geaccepteerd. De staat ontfermde zich bovendien over de emancipatie en ontplooiing van met name die burgers die door de klasse waaruit ze afkomstig waren, hun huidskleur of hun sekse minder kansen hadden dan anderen. Het was Joop den Uyl die de slogan ‘spreiding van kennis, macht en inkomen’ muntte en daarmee de gedachte voedde dat – niet alleen gelijkberechtiging – maar ook goede opleidingen en hoge functies door een eerlijker verdeling van welvaart in ieders bereik lagen.

Het was zoals Bas Heijne – die in die jaren volwassen werd – schreef, een tijd van vertrouwen en verwachtingen: ‘de mens, zo luidde de verwachting, zou zich langzaam maar zeker losmaken van zijn benauwde groepsgeest en zich verenigen met anderen op basis van gedeelde menselijkheid. Minderheden werden eveneens geaccepteerd als gelijken. Nationalisme en andere vormen van agressieve groepsgeest zouden hopeloos gedateerd raken, net als religieus fanatisme’[5]. Dit optimistische emancipatiestreven dreef op snel toenemende welvaart. Er was voldoende geld om een uitgebreid stelsel van sociale voorzieningen te ontwerpen, het onderwijs te verbeteren en uit te breiden en sociale woningen te bouwen. Ook de particuliere consumptie steeg. Mensen konden huizen en auto’s kopen. Reizen naar het buitenland kwamen plotseling in het bereik van midden- en arbeidsklassen. Met de welvaart democratiseerde het vooruitgangsgeloof tot alle lagen van de bevolking. De tijd leek definitief voorbij dat je als dubbeltje geboren nooit een kwartje kon worden. Dankzij een studiebeurs zou elk arbeiderskind vanaf nu de hoogste opleiding kunnen voltooien en er waren geen formele belemmeringen meer voor vrouwen om de bestuurskamers te bestormen of voor zwarten en migranten om deel uit te maken van de politieke macht. Ouders die voortkwamen uit de arbeidsklassen en tot de snel uitdijende middenklasse gingen behoren, vertelden hun kinderen dat zij het nog beter zouden krijgen dan zij.

 

De gebroken belofte

 

In de kakafonie van verklaringen die de overwinning van Trump begeleidt, is de meest complete analyse van de motieven van kiezers afkomstig van de Amerikaanse sociologe Arlie Hochschildt. Deze progressief uit Berkeley verkeerde vijf jaar tussen Trump-aanhangers in zogenaamd ‘middle America’ – de kleine gemeenten op het platteland waar werkloosheid en armoede heersen – en schreef daar een boek over met de alleszeggende titel Strangers in their own land[6].

In een interview in Vrij Nederland schetst zij ‘the deep story’, het verslag van het leven zoals dat voor veel mensen voelt. Die luidt als volgt:

‘Je staat in een rij. Het is als een pelgrimstocht. Ergens aan de horizon bevindt zich de Amerikaanse Droom. De rij is tot stilstand gekomen. Er zit al een tijdje geen beweging in. Je wacht geduldig maar ook hoopvol. Voor je zie je met name andere blanken, vooral mannen, wat ouder, veelal christenen. Sommigen hebben geleerd, anderen niet. Allemaal hebben ze altijd hard gewerkt en hun best gedaan, net als jij. Dan zie je opeens mensen voordringen. Het zijn zwarten die dankzij positieve discriminatie voorrang krijgen bij huisvesting of onderwijs. Het zijn vrouwen die ineens baantjes toebedeeld krijgen die voorheen altijd naar mannen gingen. Het zijn immigranten en vluchtelingen die helemaal niet in de Verenigde Staten zijn geboren. Er wordt om begrip gevraagd. Ach, je ziet jezelf als een goed mens met een goed hart, dus enig begrip voel je wel. Maar toch klopt er iets niet.

En dan zie je de president, Barack Hussein Obama. Hij zwaait vrolijk naar al die voordringers. En ineens besef je: verrek, dát is de vent die al die anderen laat voorgaan! Trouwens, is hij zelf niet ook voorgedrongen? Hoe kon die Obama eigenlijk op Harvard studeren, als zoon van een alleenstaande moeder? En wacht eens even: de rij staat helemaal niet stíl, je wordt teruggedrongen! Hij geeft zelfs voorrang aan bedreigde diersoorten, want zelfs díe vindt hij belangrijker dan jou. Dit is niet langer jouw president. Dit is niet de overheid die jouw steun verdient.’

 

Of het feitelijk klopt dat anderen zijn voorgedrongen doet in ‘the deep story’ niet ter zake: er is bijvoorbeeld geen enkele aanwijzing dat Obama voorrang kreeg bij toelating tot Harvard. Het gaat om een emotionele waarheid en om diepe gekwetstheid. Men ervaart armoede en een gebrek aan maatschappelijke kansen door het verdwijnen van werk en daar bovenop nestelt zich het onbehagen deel uit te maken van een groep mensen die er niet toe doet, die netjes op haar beurt wacht maar wordt overgeslagen terwijl anderen – vreemdelingen – wel geld en kansen krijgen. Dat is een onverdraaglijke gedachte en een bron voor woede.

 

In alle statistieken over de Amerikaanse verkiezingen vallen twee cijfers op. Van de stemmers op Trump is een ruime meerderheid boven de vijfenveertig. En van alle karakteristieken is opleidingsniveau, meer nog dan leeftijd, inkomen en ras, het meest overheersend. Het zijn vooral middelbare en oudere mensen met een lagere opleiding die op Trump hebben gestemd. Zij hebben de hoop verloren dat het beter zal worden voor hen en hun kinderen en hun stem is er vooral één van weerzin tegen de loze beloftes van het politieke establishment[7].

 

Mij lijkt dat geen toeval. Dat is de generatie die is opgegroeid in de jaren zestig en zeventig, die de belofte van gelijkberechtiging, van persoonlijke lotsverbetering en democratisering met de paplepel ingegoten heeft gekregen en weer heeft doorgegeven aan zijn kinderen. De vijftigers van nu hebben van kleins af aan verinnerlijkt dat je klasse, je ras of je sekse niet bepalend mogen zijn voor je kansen, voor hoe je je ontwikkelt. Dit is ook wat hen is voorgehouden door hun ijverige en optimistische ouders in de snel uitdijende middenklassen: als je maar je best doet dan ligt alles binnen je bereik, dan kun je worden wat je wil.

Dit idee van sociale en culturele mobiliteit, van open en democratische instituties die gezagsgetrouwheid en hard werken belonen met goede diploma’s, interessante banen en de regie over je bestaan, is diep verankerd geraakt in de moderne westerse cultuur. Elke Nederlander draagt, net als elke Amerikaan, de belofte van individuele ontplooiing met zich mee: je kan je eigen toekomst maken, je kan worden wat je wil.

Alleen is de belofte voor heel veel mensen nooit waargemaakt. Naarmate de jaren vorderen, de jaren zestig en zeventig langer geleden zijn, is deze belofte zelfs vals gaan klinken. En hierin ligt de kiem van de gekwetstheid die nu de politieke verhoudingen bepaalt.

 

Na de welvarende jaren zestig en zeventig volgden de jaren tachtig. De economische groei stagneerde, de werkloosheid nam snel toe en raakte allereerst de jongeren met de lagere opleidingen. Zowel in de Verenigde Staten, in Engeland als in Nederland traden zogenaamde no-nonsense regeringen aan die het ideaal van ‘de spreiding van macht, kennis en inkomen’ aan de vrije markt overlieten. In Engeland zei Thatcher ‘there is no such thing as society’ en daarmee ontsloeg ze zich zelf en de regeringen na haar van de verplichting de armoede en achterstand in de Engelse arbeidersklassen te verminderen. In Nederland introduceerde de nieuwe premier Lubbers de ‘BV-Nederland’ als ideologische tegenhanger van het welzijnsideaal van de jaren zeventig. Onder het motto ‘meer markt, minder overheid’ probeerde hij met grote bezuinigingen, deregulering en privatiseringen de economie aan te jagen. De prijs daarvoor werd vooral betaald door de mensen met de lagere opleidingen en de kwetsbare maatschappelijke posities: de uitkeringen werden verlaagd, er werd fors bezuinigd op de gezondheidszorg en op het onderwijs, en de studiebeurzen werden soberder[8].

 

Het nog jonge en kwetsbare proces van emancipatie en democratisering kwam  tot stilstand voordat het goed en wel gestart was. Sinds de jaren tachtig werd de ongelijkheid tussen mensen langzamerhand weer groter. En dat geldt niet alleen voor de verschillen in inkomens maar ook voor het verschil in opleidingsniveau en in de toegang tot de macht. In de afgelopen decennia zijn, haaks op de belofte van spreiding en gelijke deelname, inkomen, kennis en macht juist meer geconcentreerd geraakt onder een relatief kleine, gestudeerde elite.

Uit een recent onderzoek van de Onderwijsinspectie blijkt dat het onderwijsniveau van de ouders meer bepalend is voor het schooladvies dat kinderen krijgen dan hun intelligentie. Een kind met laagopgeleide ouders krijgt vaker een te laag advies omdat de docent veronderstelt dat de ouders niet in staat zijn te begeleiden. Dit geldt nog meer als het om een kind gaat van laagopgeleide, allochtone ouders[9].

Daarmee is de belofte gebroken dat in onze moderne cultuur elk mens, ongeacht zijn achtergrond, zich vrij kan ontwikkelen. Ongelijkheid reproduceert zich nog altijd langs lijnen van klasse en etniciteit: je postcode, en het milieu en de herkomst van je ouders bepalen in belangrijke mate je toekomst.

Tegelijkertijd is de samenleving, en met name de staatsbureaucratie, ingewikkelder en ondoorzichtiger geworden. Om mee te kunnen komen in discussies over de toekomst van de gezondheidszorg of volkshuisvesting heb je kennis nodig van regels en van technocratisch jargon. Veelzeggend is dat het opleidingsniveau van Kamerleden almaar hoger wordt, tot aan de volledige afwezigheid van mensen zonder vervolgopleiding in het parlement. De uitoefening van de macht en de controle erop hebben zich evenmin gespreid over de bevolking. Een incidenteel adviserend referendum brengt daarin geen verandering; eerder bevestigt het de onmacht als de uitslag niet of maar deels door politici wordt overgenomen.

 

Inmiddels, in 2017, hebben we nog een grote economische crisis achter de rug. Het vooruitgangsgeloof dat de emancipatie van burgers in de jaren zeventig begeleidde is verdampt. De jongeren van destijds, vijftigers en zestigers van nu, geloven niet meer dat hun kinderen het beter kunnen krijgen dan zij. Eerder denken zij dat het slechter wordt en de jarenlange bezuinigingen op publieke voorzieningen waaraan zij altijd hebben bijgedragen en waarvan zij voor hun welzijn afhankelijk zijn – zoals de gezondheidszorg en het onderwijs – sterken hen ook in die bittere overtuiging . Er is hen een belofte gedaan en die is niet nagekomen. Dat stemt bitter.

 

Identiteit en uitsluiting

 

Toen de Amerikaanse actrice Susan Sarandon werd gevraagd of zij, nadat de socialist Bernie Sanders uit de Amerikaanse verkiezingsrace was gevallen nu op Hilary Clinton zou stemmen antwoordde zij: ‘I don’t vote with my vagina’[10]. Sarandon verwoordt daarmee kort en krachtig het grootste bezwaar tegen identiteitspolitiek: het terugbrengen van een politieke discussie tot een beperkt aantal uiterlijke of persoonlijkheidskenmerken. Of zoals Arnon Grunberg het mooi beschreef: ‘ieder individu heeft het recht niet gereduceerd te worden tot de groep waartoe zij of hij zou behoren, maar identity politics, of het nu gaat om vrouwen, zwarten of joden, is een doodlopende weg, juist omdat het individu weer gereduceerd wordt tot religie, huidkleur, geslacht’[11].

Het reduceren van mensen tot ras en uiterlijk vertroebelt politieke discussies. Hoewel er alle reden is om verontwaardigd te zijn over oplaaiend racisme en hardnekkige discriminatie, bijvoorbeeld op de arbeidsmarkt, hebben de aanhangers van ‘white-privilege’ de neiging om elke ‘witte’ daarvoor verantwoordelijk te maken vanwege zijn kleur.  Activisten die roepen dat ‘witte mensen eens moeten luisteren’ bestrijden kwaad met kwaad: tegenstanders worden gediskwalificeerd op kleur[12]. Niet alleen leidt dat onnodig tot polarisatie, het botst ook met gevoelens van rechtvaardigheid waarop diezelfde white-privilege-activisten een beroep willen doen. Voor een laagopgeleide, werkloze 55-jarige man zonder enig arbeidsperspectief is het niet alleen absurd maar ook slecht te verdragen dat een jonge, universitair geschoolde zwarte activist hem bevoorrecht noemt en vindt dat hij plaats moet maken omdat ‘witten’ lang genoeg de macht hebben gehad.

 

Ondanks deze bezwaren van het generaliseren en stigmatiseren van tegenstanders bezit de discussie over ‘white privilege’ die weer oplaait in de Verenigde Staten en in Nederland nog eenzelfde hoopvol elan als in de jaren zestig en zeventig. Als de Nederlandse wetenschapper Zihni Ozdil in zijn essay ‘Nederland mijn vaderland’ schrijft dat hij wil dat Ozdil wordt aanvaard als een gewone Nederlandse naam, dan bedrijft hij identiteitspolitiek om uiteindelijk de politieke indeling in identiteiten juist op te heffen. Zoals Ta-Nehisi Coates – die ik eerder aanhaalde – ook wil dat de polarisatie tussen zwart en wit plaatsmaakt voor een politieke gemeenschap van burgers die gelijkwaardig, zonder aanzien des persoons, met elkaar van mening verschillen.

 

Die hoop op emancipatie is niet (meer) aanwezig bij de mensen die de Amerikaanse onderzoeker Arlie Hochschildt sprak. Zij beschouwen hun identiteit ook als oorzaak van hun voortdurende achterstand: ze zijn blank, vaak wat ouder en hebben lagere opleidingen en inkomens. Ze beoordelen de identiteit van anderen – hoogopgeleid, vrouwelijk elitair, zwart, migrant – als een bedreiging. Er is geen wens om samen met die ‘anderen’ een gemeenschap van gelijkwaardige individuen te vormen. Ze vinden dat zij worden achtergesteld en de anderen worden voorgetrokken en aan die onrechtvaardigheid willen ze een einde maken door de anderen uit te stoten.

Het kost weinig voorstellingsvermogen om daar concurrerende groepen naast te plaatsen die worstelen met eenzelfde geknakt vooruitgangsgeloof, eenzelfde overtuiging achtergesteld te worden, zonder perspectief of hoop op verbetering. Jonge moslims bijvoorbeeld die zich afgesneden voelen, die het gevoel hebben dat zij niet welkom zijn, zich boos afkeren en gevoelig worden voor extremisme. Hun identiteit is niet een vaandel waarachter zij trots en zelfbewust marcheren maar het is een schild dat zij tussen zichzelf en de buitenwereld plaatsen en waar achter teleurstelling, gekwetstheid en boosheid zich ophopen. Zij hebben ook geen hoop op verbetering van hun lot maar willen vooral dat degenen die zij verantwoordelijk houden voor hun miserabele omstandigheden worden veroordeeld en eventueel zelfs uitgesloten.

 

Het zijn vooral de teleurgestelde, gekwetste en kwetsbare burgers die gevoelig zijn voor identiteitspolitiek nieuwe stijl. Anders dan in die eerdere periode die vol was – zoals Bas Heijne dat verwoordde – ‘van vertrouwen en verwachtingen’ is identiteitspolitiek een instrument voor degradatie en uitsluiting van anderen geworden. De moderne politicus die identiteitspolitiek bedrijft biedt zijn potentiele kiezers geen vergezicht van sociale en culturele stijging en van gelijkberechtiging maar de zekerheid dat hij de strijd met de ‘anderen’ aan gaat, dat hij de vernedering van zijn achterban met gelijke munt betaalt.

Een – klein – maar opvallend voorbeeld hiervan gaf Tweede Kamerlid Jacques Monasch toen hij zich afscheidde van de PvdA. Hij wilde opkomen – zei hij – voor de ‘gewone boze, blanke mannen, de vroegere arbeidersklasse’[13]. Hij bekende zich daarmee niet tot een politieke opvatting – een eerlijker inkomensverdeling, verbetering van het onderwijs, goede rechtshandhaving – maar vooral tot een groep: boos, blank en man. En die zette hij polemisch tegenover de groepen die hen zouden kwetsen: de migranten en asielzoekers, de linkse elite, zijn eigen PvdA. Zij tegenover hen, onze mensen tegenover de vreemde indringer, de elite tegenover het gewone volk. Hij noemde dit – terecht – de strategie ‘PVV-light’.

Bij die andere afscheidingsbeweging van de PvdA, de beweging Denk, wordt vergelijkbare identiteitspolitiek bedreven. Gekwetste en boze migranten worden bediend met ‘vijanddenken’ en met de bevestiging dat ‘witte’ Nederlanders xenofoob en racistisch zijn, zoals Sylvana Simons en haar adviseur Ian van der Kooye meldden toen zij de partij verlieten[14].

Bij de identiteitspolitiek nieuwe stijl hoort het dankbaar uitvergroten van politieke uitspraken van tegenstanders als zouden zij kiezers kwetsen en vernederen. Zo wist Trump handig gebruik te maken van Clintons ongelukkige uitspraak dat zich onder zijn aanhang veel ‘deplorables’ bevonden: racisten, seksisten, homohaters, islamofoben … ‘you name it’. Trump reageerde onmiddellijk dat zij hiermee ‘millions of amazing, hardworking people’ beledigde. Feilloos begreep hij dat Clinton met haar woordkeuze                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                     peuterde in de open wond van veel gewone Amerikanen met geknakte toekomstdromen die zich inderdaad miserabel voelen.

Exact dezelfde formule hanteerde Geert Wilders in de rechtszaak over zijn uitspraak ‘minder, minder, minder’ Marokkanen in Nederland. Niet alleen was hij geen racist, zei hij, maar zijn kiezers ook niet: ‘Hou op met het beledigen van mijn kiezers’. Daardoor stond hij niet meer zelf terecht vanwege een discriminerende uitspraak maar ‘de helft van de Nederlandse bevolking’ die door ‘D66-rechters’ behandeld zouden worden als een vreemde in hun eigen land en niet meer voor hun mening kunnen uitkomen. Kenmerkend aan de politieke tactiek van Trump en Wilders is dat zij kiezers niet verleiden met een toekomstperspectief maar verenigen op hun gedeelde gekrenkte identiteit.

 

Hoop op een beter leven

 

De Indiase econoom Amartya Sen beschrijft de spanning die in een samenleving ontstaat als een gevolg van de ‘”miniaturisation” of humanity, with everyone locked up in tight little boxes from which they emerge only to attack one another’[15]. Het is politiek van verdeeldheid: de ene groep, de ene stam, wordt tegenover de andere gezet.

Autoritaire populisten maken gretig gebruik van identiteitspolitiek. Als woordvoerder van de eigen groep – een minderheid die de vorm aan neemt van ‘het volk’ – duwen zij andere (minderheids)groepen buiten de maatschappelijke orde. Van de Turkse premier Erdogan is bijvoorbeeld de uitspraak tegen kritische tegenstanders: ‘wij zijn het volk dus wie ben jij?’. Een even veelzeggende uitspraak deed Donald Trump tijdens de campagne voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen: ‘the only important thing is the unification of the people – because the other people don’t mean anything’. En nadat Trump won trad Wilders ogenblikkelijk naar buiten met de slogan ‘Nederland weer van ons’. Het was duidelijk dat hij Marokkanen, moslims of andersdenkenden niet tot ‘ons’ rekent. Om dat nog eens te onderlijnen zei hij over de zwarte aspirant-politicus Sylvana Simons nadat zij ernstig werd bedreigd en geintimideerd, dat zij vooral tegen zichzelf in bescherming moest worden genomen. De rechtstatelijke bescherming waarop hij en zijn aanhang moeten kunnen rekenen geldt dus niet voor anderen. De strategie van autoritaire populisten zoals Trump en Wilders, van het vernederen en uitsluiten van mensen die vanwege hun ras, etnische herkomst of geloof niet tot ‘ons volk’ behoren, ondermijnt de pluriforme samenleving die in de jaren zestig en zeventig door activisten is bevochten. De twee belangrijkste pijlers daarvan zijn de rechtstatelijke bescherming van ‘gelijkheid voor de wet’ en het progressieve samenlevingsideaal van ‘gelijke kansen voor iedereen’. Voor populisten is het verschil in geslacht, huidskleur of klasse juist een argument voor ongelijke behandeling. Jan Werner Muller, Amerikaanse wetenschapper en auteur van een boek over modern populisme, beschrijft dat gevaar van populistische identiteitspolitiek treffend. Hij zegt ‘the crucial difference is that populists deny or wish away the pluralism of contemporary societies. When they say equality, they mean sameness’[16].

Er is een fundamenteel verschil tussen gelijkheid voor de wet en gelijke kansen waarbij heel verschillende mensen, verschillende identiteiten en groepen juist in staat worden gesteld open met elkaar te praten; en de eenvormigheid die populisten wensen waarbij een gesprek alleen nog plaatsvindt binnen de eigen groep.

 

Gekwetste burgers vertrouwen op autoritaire populisten in de hoop bij een homogene groep winnaars te mogen horen. Die hoop is ijdel. De autoritaire populisten die hen deze route wijzen zijn, zoals Muller overtuigend beargumenteert, niet werkelijk geïnteresseerd in het verbeteren van het lot van gekwetste burgers of in democratisering maar vooral in politieke macht: ‘Populists are just different elites who try to grab power with the help of a collective fantasy of political purity’. De kwetsbare en dikwijls wat oudere Amerikanen uit de lagere  middenklassen die op Trump hebben gestemd worden direct getroffen in hun portemonnee en welzijn aangezien ‘Trumpcare’ hun zorgverzekering ondermijnt terwijl de rijke bovenlaag er op vooruit gaat. Toen Wilders in 2010 de kans kreeg te regeren leverde hij direct de AOW – de in beton gegoten belofte dat ouderen met 65 konden stoppen met werken – in. Aangezien het populisme gedijt op maatschappelijke tegenstellingen hebben populistische leiders er weinig baat bij om deze – als zij eenmaal de macht hebben – te verminderen. Daarbij raakt de aantasting van vrijheden – zoals de vrijheid van religie en meningsuiting – uiteindelijk niet alleen ‘de anderen’ maar ook degenen die wel deel uitmaken van ‘ons volk’. Vrijheden hebben nu eenmaal geen selectieve werking maar zijn van toepassing op alle burgers, ongeacht of ze deel uitmaken van de minderheid of de meerderheid.

 

Het meest desastreuze effect van identiteitspolitiek in de handen van autoritaire populisten is wel dat slachtofferschap en gekwetstheid hardnekkiger worden. Het perspectief op sociale stijging en emancipatie vermindert verder. De maatschappelijke ongelijkheid die burgers juist in de armen dreef van populisten, blijft in stand. Daarbij verslechtert het zelfbeeld van kwetsbare burgers alleen maar. Deel van de populistische argumentatie is namelijk dat mensen – en de natie waarin zij wonen – één vaste en onbeweeglijke identiteit hebben. Dé Nederlander bestaat en die is een voorstander van zwarte piet (die nooit teloor mag gaan), een tegenstander van ‘multikul’ en ‘doet liever gewoon want dan doet ie al gek genoeg’. Mensen raken opgezadeld met een onwrikbare identiteit die hen uiteindelijk juist meer vernedert: de hoop op groei en op verandering van het eigen leven valt definitief weg.

In een recente toespraak demonstreerde de Engelse schrijfster Zadie Smith aan de hand van het levensverhaal van haar vader hoe wezenlijk die hoop op verandering juist is[17]. Haar vader, een joodse holocaustoverlevende, had in zijn leven weinig geluk gehad maar hij weigerde zijn omstandigheden te veralgemeniseren: hij raakte werkloos maar verloor niet het geloof in zijn land, het schoolsysteem liet hem in de steek maar hij richtte zijn hoop op het onderwijs voor zijn kinderen en hij trouwde niet met een zwart meisje maar met ‘Yvonne’. Hij was, zegt Smith, een lid van de witte arbeidersklasse maar weigerde zich in het hokje te laten duwen van de ‘angry white man’: ‘he was a man often afflicted by despair who still managed to retain a core optimism’. Misschien, concludeert Smith, was haar vader zeldzaam maar zijn bestaan mag niet ontkend worden noch ‘the possibility of lives like his’.

Smith haalt haar vader niet aan als een lichtend, moralistisch voorbeeld voor anderen. Ze brengt hem in herinnering als één van velen, van mensen die zich niet willen laten reduceren tot een enkelvoudige identiteit.  Zijn hoop is er op gericht dat je in de loop van je leven verandert, en dat je omstandigheden beter worden: je kan jezelf vormgeven en meerdere identiteiten verzamelen die soms in elkaars verlengde liggen maar soms juist ook niet. Je kan gastarbeider zijn, Turk, moeder, feministe, zakenvrouw en dat allemaal tegelijkertijd of juist afwisselend.

 

Resumerend.

Aan de basis van de polarisatie waaraan Trump zijn verkiezingsoverwinning en in Nederland Wilders zijn aanhoudende populariteit danken ligt het verlies van de hoop op een beter leven bij grote groepen mensen. Het is een tragische vergissing te vluchten in de identiteitspolitiek die het handelsmerk is  van autoritaire populisten. Het biedt geen hoop op verandering maar vergroot de gekwetstheid juist uit en leidt tot defaitisme (‘er zal nooit iets veranderen’) of tot conflict (‘de anderen hebben de samenleving geruïneerd’).

 

De vraag is hoe de neerwaartse spiraal van oplopende gekwetstheid, identiteitspolitiek en populisme te stoppen.

 

Het eerste antwoord is dat burgers in staat moeten worden gesteld om gul te zijn jegens anderen. Zodra de elementaire angst over de eigen toekomst vermindert, er perspectief ontstaat op een beter leven voor hun kinderen, er toegang is tot welvaart, goed onderwijs en macht, vermindert de onvrede over de samenleving. Ook het verlangen anderen als onwelkome indringers weg te duwen vermindert als de samenleving meer egalitair is[18]. Dat betekent dat ‘gelijke rechten’ niet enkel als een statisch, grondwettelijk beginsel worden gehandhaafd maar ook worden gematerialiseerd. Sinds de jaren tachtig zijn de verschillen tussen inkomens snel toegenomen terwijl de ongelijkheid in kansen tussen de ‘haves’ en de ‘have-nots’ geenszins is verminderd. Het emancipatie- en individualiseringsproject uit de jaren zestig en zeventig – ooit kernachtig verwoord door Den Uyl met ‘de spreiding van kennis, macht en inkomen’ – moet opnieuw ter hand worden genomen. En meer dan inkomensgelijkheid verdienen beter en toegankelijker onderwijs en vergaande democratisering van de macht en de politieke besluitvorming voorrang.

Als tweede zou ‘pluralisme’ als nationaal cultuurgoed en als maatschappelijke opdracht omhelsd moeten worden. Niet de starre ‘multiculturele samenleving’ waarin elke cultuur, religie en traditie zijn onveranderlijke plekje krijgt toebedeeld maar het idee dat onze cultuur doorlopend verandert, vernieuwt,  en wordt beïnvloed.

In een prachtig essay schreef journalist Hendrik Jan Schoo over de nationale identiteit dat het geen ‘merk’, geen onveranderlijke ‘harde kern’ is maar veel eerder een ‘werkhypothese over onszelf’: ‘identiteit is net als de geschiedenis zelf “een gesprek zonder end”‘. Wat voor de nationale identiteit geldt, geldt – mutatis mutandis – ook voor ons, individuen. Wij allen, ontwikkelen ons in de loop van ons leven, veranderen (hopelijk) vaak van gedachten, en hebben meervoudige identiteiten[19]. Het was in de jaren zestig en zeventig die gedachte aan persoonlijke en maatschappelijke ontwikkeling, aan het kunnen veranderen van je lot en je omstandigheden aan de hoop op een beter leven, die mensen vrij maakte. Aan die gedachte is niets gedateerd.

[1] Brooks, D: ‘Identity politics run amok’, New York Times, 2 november 2016, http://www.nytimes.com/2016/09/02/opinion/identity-politics-run-amok.html

[2] Oostvoorn, W. Van: ‘Niet jammeren dat het allemaal zo oneerlijk was’, in De Volkskrant, 21 december 2016

[3] Hofland, H.J.A.: Tegels lichten. Of ware verhalen over de autoriteiten in het land van de voldongen feiten, DBNL, 2007

[4] Coates, T.N.: ‘There is no post racial America’, The Atlantic,  http://www.theatlantic.com/magazine/archive/2015/07/post-racial-society-distant-dream/395255/

[5] Heijne, B.: Onbehagen. Nieuw licht op de beschaafde mens, Ambo Anthos 2016

[6] Russell Hochschild, A.: Strangers in their own Land. Anger and mourning on the American right, The New Press, New York London, 2016

[7] Silver, N.: ‘Education, not income predicted who would vote for Trump’, http://fivethirtyeight.com/features/education-not-income-predicted-who-would-vote-for-trump/; McGill, A.: ‘America’s educational divide put Trump in the White House’, http://www.theatlantic.com/politics/archive/2016/11/education-put-donald-trump-in-the-white-house/508703/

; McGill, A.: ‘Hope is what seperates Trump voters from Clinton voters’,  http://www.theatlantic.com/politics/archive/2016/08/donald-trump-manufacturing-jobs-hope/496541/

[8] Zie bijvoorbeeld Wansink, H.: Het land van Beatrix. De eerste geschiedenis van hedendaags Nederland (1980 – 2013), Prometheus/Bert Bakker, 2014

[9] https://www.destaatvanhetonderwijs.nl/downloaden

[10] https://www.youtube.com/watch?v=4LoGej6BqMc

[11] http://www.volkskrant.nl/opinie/identity-politics-is-een-doodlopende-weg~a4285609/

[12] Zie bijvoorbeeld dit interview met drie zwarte activisten in NRC: https://www.nrc.nl/nieuws/2015/11/07/witte-mensen-moeten-eens-luisteren-1553271-a838015

[13] http://www.npo.nl/pauw/13-10-2016/VARA_101380241/POMS_VARA_5527897

[14] http://www.nu.nl/politiek/4370274/sylvana-simons-verlaat-denk-en-begint-nieuwe-partij.html

[15] A. Sen: Identity and violence. The illusion of destiny, Penguin 2007

[16] J.W. Muller: ‘Trump, Erdogan, Farage: The attractions of populism for politicians, the dangers for democracy’,  https://www.theguardian.com/books/2016/sep/02/trump-erdogan-farage-the-attractions-of-populism-for-politicians-the-dangers-for-democracy

[17] Z. Smith: ‘On optimism and despair’, http://www.nybooks.com/articles/2016/12/22/on-optimism-and-despair/

[18] Zie hiervoor bijvoorbeeld het vele werk van de epidemiologen Richard Wilkinson en Kate Pickett: https://www.equalitytrust.org.uk

[19] H.J. Schoo: ‘Nationale identiteit. Een noodzakelijk kwaad’, https://bureaudehelling.nl/artikel-tijdschrift/nationale-identiteit