Lezing bij de uitreiking van de jaarlijkse Ab Harrewijn-prijs

Goedemiddag allen,

In 1999 voerde ik namens GroenLinks het woord tijdens het parlementaire debat over de euthanasiewet. Zonder uitzondering verdedigden de politici van christelijke partijen hun bezwaren tegen euthanasie aan de hand van hun geloofsovertuigingen, terwijl woordvoerders van de seculiere partijen – met uitzondering van de SP – voor waren. In de Kamer leek daardoor de beoordeling van de juistheid van euthanasie samen te vallen met het geloof: als je gelovig bent, dan heb je bezwaren tegen euthanasie, als je niet gelooft dan accepteer je euthanasie onder voorwaarden.

In zijn werkkamertje even verderop, wond Ab Harrewijn zich op over deze scheiding der geesten. ‘Jij moet’, zei hij in de pauze van het debat, ‘in de Kamer verdedigen dat ik en vele anderen juist om geloofsredenen voor euthanasie pleiten’.

Ab Harrewijn, die inmiddels 6 jaar geleden is overleden, combineerde op dat moment het kamerlidmaatschap met zijn werk als dominee. In GroenLinks behoorde hij tot de progressieve vleugel in ethische kwesties zoals abortus en euthanasie. En hij stond daarin als gelovige bepaald niet alleen. In de jaren zeventig verdedigde bijvoorbeeld de uitgetreden Benedictijner monnik Michel van Winkel namens de PPR het beslissingsrecht van vrouwen bij abortus tegenover de katholieke minister van Justitie Van Agt. Hij had daar, zo vertelde hij mij later, lang over moeten piekeren maar hij was tot de slotsom gekomen dat ook in de zware kwesties van leven en dood vertrouwd moet worden op het oordeelsvermogen van mensen, in dit geval van zwangere vrouwen.

Ab Harrewijn heeft mij destijds geattendeerd op de Nijmeegse theoloog Schillebeekx. ‘Euthanasie’, stelde deze, ‘is een ethische kwestie. Ethiek is gebaseerd op menswaardigheid en humaniteit. Wat je daarover zegt, is een persoonlijke keuze en daarbij mag je je niet op God beroepen. Ethiek is een menselijke consensus die ontstaat na veel en lang zoeken.’

Christiaan Jongeneel heeft mij gevraagd om vanmiddag stil te staan bij de verhouding tussen religie en politiek. Indachtig Schillebeekx maak ik daarvan de verhouding tussen religie, ethiek en politiek. Naar mijn opvatting ontstaat er vooral spanning tussen religie en politiek als de ethische opvattingen van gelovigen en kerken – de oordelen over goed en fout in het menselijke verkeer – te absoluut, te stellig en te dogmatisch worden. Omgekeerd ontstaat er ook spanning als politici zich al te gemakkelijk wenden tot de kerken als zij oplossingen zoeken voor morele of maatschappelijke verloedering, zonder zich daarbij rekenschap te geven van de autonomie van het geloof. Zoals Ineke Bakker het verwoordt in Ab’s boekje ‘Bijbel, Koran, Grondwet’ uit 2002: ‘de kerk is geen EHBO voor tekortschietende normen en waarden. Deze zijn niet los en op afroep verkrijgbaar’.

Als je door Ab’s boekje bladert is opvallend hoe actueel en scherpzinnig het is. En bij de voorbereiding van vanmiddag heb ik me dan ook menigmaal afgevraagd hoe Ab zou oordelen over de grote veranderingen in ons politieke landschap sindsdien.

Twee ontwikkelingen springen dan vooral in het oog.

Voor het eerst sinds heel lang hebben wij een kabinet dat wordt gedomineerd door christelijke partijen. Geloof bevindt zich daardoor meer dan de voorgaande decennia in het hart van de politiek. De gelovige leider van de enige seculiere coalitiepartij, Wouter Bos, verklaarde het succes van de formatie zelfs met de zinsnede ‘wij spreken alle drie de tale kanaäns’. In de wittebroodsweken van het kabinet overheerste de discussie over de gewetensbezwaren bij trouwambtenaren, waarbij de bewindslieden ook langs geloofslijnen verdeeld leken. Maar opmerkelijk is wel dat ministers die hun christelijke geloofsovertuigingen als belangrijke inspiratiebron en leidraad noemen bij hun beleidsbeslissingen (zoals bijvoorbeeld Donner en Rouvoet), voor weinig ophef zorgen.
Haaks op de sterkere en onbelemmerde aanwezigheid van christelijke politiek in het centrum van de macht, bekritiseren politici religie harder en minder terughoudend. Hier gaat het niet om het christendom maar om de Islam, de tweede godsdienst in Nederland. De aanhoudende schofferingen van Wilders van moslims en hun geloof worden door de meesten weliswaar beschouwd als extremistisch, maar kritiek in een gematigder variant heeft breed ingang gevonden. Of het nu gaat om Imams die weigeren een hand te schudden, vrouwen die gelaatsbedekkende kleding of Burkini’s dragen of de staat van het islamitisch onderwijs; in toenemende mate klinkt de roep om religie te weren uit de publieke sfeer.

Nu erken ik direct dat godsdiensten niet met elkaar vergeleken mogen of kunnen worden. Bovendien zijn politici altijd gerechtigd om maatschappelijke problemen te agenderen. Of die problemen een religieuze oorsprong hebben of religieuze rechtvaardiging kennen, is dan niet relevant. Bij maatschappelijke problemen die een gevolg zijn van bijvoorbeeld Islamitische orthodoxie, zoals de achterstelling van vrouwen, is er zelfs een grote politieke verantwoordelijkheid om deze te agenderen. Wel gaat het er om het probleem van uitblijvende emancipatie zelf te agenderen en niet door te schieten in een leerstellig politiek conflict over de precieze omschrijvingen in de Koran, zoals nu al te vaak gebeurt.

Dit neemt ook niet weg dat deze twee tegenstrijdige ontwikkelingen wijzen op groot politiek ongemak in de omgang met religie. Politici – seculier en gelovig – hebben grote moeite om de betekenis van religie voor de samenleving te duiden, laat staan als autonome kracht te respecteren.

De ongemakkelijke verhouding van politici met religie wordt ook – en naar mijn mening bovenal – veroorzaakt door het ethische conservatisme dat in religieuze bijdragen aan het politieke en publieke debat domineert. Nog maar enkele weken geleden haalde bisschop Eijk de publiciteit door zich misprijzend uit te laten over Hugo Claus. Hij vond diens zelfgekozen dood niet moedig. Het euthanasiedebat waarmee ik mijn verhaal begon is een ander voorbeeld, zoals ook de weigerachtige trouwambtenaren. Vanuit Islamitische kring overheersen helaas vrijwel altijd de opvattingen van conservatieve imams over bijvoorbeeld homoseksualiteit, vrouwen en andersdenkenden.

Laat ik – voordat ik wil betogen hoe het politieke ongemak met religie zou kunnen worden verminderd – eerst opmerken dat wat mij betreft religie wel degelijk een plaats mag hebben in de politiek en in de publieke sfeer.

Zoals politieke partijen hun wortels kunnen hebben in de idealen van gelijkheid, vrijheid en broederschap van de Franse revolutie, in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, zo kunnen religieuze waarden als barmhartigheid en rentmeesterschap even inspirerend en leidend zijn. Ik behoor zeker niet tot degenen die vinden dat religie en levensbeschouwing zich zouden moeten beperken tot de privésfeer. Levensbeschouwing – in de brede betekenis van beschouwing over de waarde en het wezen van het leven – is van grote betekenis voor de (in)richting van onze samenleving. Of het nu gaat om christelijke, socialistische, islamitische of humanistische levensbeschouwingen, alle stromingen hebben met elkaar gemeen dat zij ons individuele, dagelijkse handelen in een groter verband plaatsen. Zij hebben ook met elkaar gemeen dat zij het individu een grotere verantwoordelijkheid toekennen dan enkel de zorg voor zichzelf. Voor de inrichting van onze samenleving en de ontwikkeling van gemeenschappen is dat van groot belang.

Toch voel ik me ook dikwijls ongemakkelijk bij de verschijningsvorm van religie in de politiek. Veel minder heeft dat te maken met het geloof en het geloven zelf, als wel met het ethische conservatisme dat ik zo-even noemde. Beter is het trouwens om te spreken van ethische superioriteit.

In de aanloop naar het nieuwe regeerakkoord verscheen bijvoorbeeld een paginagroot artikel in NRC-Handelsblad waarin de VU-filosoof Govert Buijs stelde dat de christelijke traditie de weg wijst naar een nieuw samenlevingsideaal. Eerder verdedigde de CDA-ideoloog Kees Klop al eens dat christelijk geïnspireerde politiek het enige alternatief is voor burgerlijk hedonisme. In een debat met Paul Kalma bij de ChristenUnie stelde de theoloog Paas dat alleen Christenen echt oog hebben voor het ‘menselijk tekort’. En bij haar aantreden als staatssecretaris vatte ChristenUnie-politica Tineke Huizinga het ethische superioriteitsdenken bondig samen met de opmerking: ‘Als ik geen christen was, zou mijn leven wel heel erg om mezelf draaien’.

Het kost overigens weinig moeite om vergelijkbare Islamitische uitspraken te vinden waarin het geloof op één lijn wordt gesteld met dè waarheid over het goede en het juiste leven. Denk bijvoorbeeld aan het recentelijke conflict tussen de Amsterdamse stadsdeelbestuurder Marcouch en Imam Fawwaz. Daarbij verweet de laatste ook een ieder die anders denkt over het geloof en dwingende opgelegde religieuze gebruiken zoals hoofddoekjes en handen schudden, een slechte en hypocriete moslim te zijn, of – erger – een ongelovige.

Ik zou dit ‘het geloof van het weten’ willen noemen en dat staat haaks op de uitspraak van de, ook door Ab bewonderde theoloog Schillebeekx, namelijk dat ‘ethiek is gebaseerd op menswaardigheid en humaniteit. Het gaat hierbij om menselijke consensus die ontstaat na veel en lang zoeken’.

Bij ethische superioriteit of ‘het geloof van het weten’ wordt deze menselijke consensus miskend en zelfs terzijde geschoven als in strijd met het enige en ware geloof.

Voor mij als politicus is ‘het geloof van het weten’ problematisch en ongemakkelijk makend. Juist omdat het zich ook met grote vanzelfsprekendheid beweegt op het terrein van de ethiek, en daarmee van de menselijke en politieke consensus. Het geloof van het weten staat daarmee haaks op een open democratisch debat, en dat was precies wat Ab Harrewijn zo ergerde in het debat over euthanasie. Een open democratisch debat bestaat namelijk bij de gratie van het vermogen je te verplaatsen in de argumenten van een ander. Je loopt als het ware een eindje met elkaar op, om dan te besluiten samen door te lopen of af te slaan. Bij ethische superioriteit die voortkomt het zogenaamde enige en ware geloof is er geen enkele belangstelling meer om een eindje samen op te lopen, omdat dat slechts tot verdwalen kan leiden. Ethische superioriteit, het geloof van het weten, draagt ook de kiem van geloofs- of gewetensdwang in zich. Omdat eenvoudig niet voorstelbaar is of invoelbaar is dat mensen tot andere ethische afwegingen zouden kunnen komen, nemen ethische keuzes ook de vorm aan van een gebod of een verbod. Euthanasie is verboden, net als abortus. Homoseksualiteit mag niet, mannen mogen vrouwen geen hand geven.

Ik sta, als seculier politica, in een partijtraditie van mensen die zich, met name binnen de PPR en de EVP, juist vanuit hun geloofsovertuiging altijd hebben verzet tegen elke vorm van gewetens- of geloofsdwang. Ab Harrewijn en Michel van Winkel met de welbewuste scheiding die zij aanbrachten tussen moraal en geloof, waren belangrijke exponenten van die traditie. Als GroenLinks een religieuze traditie kent – en ik denk, zonder er zelf deel van uit te maken, dat wij die kennen – dan is dat wel die van ‘het geloof van het zoeken’. Het geloof inspireert en begeleidt het dagelijkse handelen maar leidt niet tot eenvoudige recepten voor hoe te leven. Het leidt ook niet tot kant en klare politieke opvattingen over ingewikkelde ethische en maatschappelijke vragen. Eerder leidt het tot meer vragen, meer dilemma’s, grotere reflectie.

Ik voel mij als GroenLinks-politicus verbonden met deze traditie. Dat betekent dat ik kritisch sta tegenover verlichtingsfundamentalisten die religieuze inspiratie en overtuigingen willen verbannen uit de politiek en het publieke leven. Zij passen net als de orthodoxe leidsmannen die zij verafschuwen gewetensdwang toe. Het betekent ook dat ik een mening nooit terzijde zal schuiven omdat zij religieus geïnspireerd is, of mij zal verzetten tegen subsidies voor organisaties op religieuze grondslag, zolang hun werk van algemeen maatschappelijk belang is. Ik erken ook dat geloof – verlicht of orthodox – een plaats heeft in, en waarde kan hebben voor de samenleving.

Anderzijds doe ik wel een appèl op gelovigen om in het politieke en publieke debat, indachtig Ab en de theoloog Schillebeekx, het rotsvaste vertrouwen in de eigen ethische superioriteit te verminderen. Dit is een appèl op de christenen en moslims die geen debat toestaan over de eigen ethische opvattingen.

Nu realiseer ik me ook heel goed dat juist vanwege ethische superioriteit, vanwege het geloof van het weten, een dergelijk appèl mogelijk aan dovemans-oren is gericht.

En daarom zou ik een tweede appèl willen doen. Religie neemt op dit moment een meer prominente plaats in, in de samenleving en in de politiek dan de afgelopen decennia denkbaar was. Terwijl christelijke politiek zich weer heeft genesteld in het centrum van de macht, is die andere grote groep gelovigen, de moslims, aanhoudend voorwerp van beschimpingen, beledigingen en vernederingen. Er is een grote urgentie om het negatieve beeld van de Islam te corrigeren, aangezien bij voortgaande politieke polarisatie onze samenleving langs lijnen van religieuze tegenstellingen verdeeld dreigt te raken. Daarmee kan op termijn ook de vrije ruimte voor religieuze expressie in het geding raken omdat de roep om het terugdringen van religie uit de publieke en politieke sfeer luider en schriller gaat klinken. Dit raakt in de eerste plaats de vrijheid van moslims maar sluit op termijn ook christenen en andersgelovigen niet uit.

In het brandpunt van het conflict over religie en politiek, staat in de meeste gevallen niet de religie zelf, maar de ethische aanspraken die worden gedaan op basis van zogenaamde het enige en ware geloof. Politiek ongemak of zelfs aversie tegen religie wordt vooral aangewakkerd door incidenten variërend van trouwambtenaren, handenschudden, euthanasie, abortus etc.

Hierin komt de ‘zoekende gelovigen’ een prachtige taak toe. En op hen – wellicht de hier aanwezigen – richt ik dan ook mijn tweede appèl. In GroenLinks, overal in de samenleving zijn er gelovigen die geen enkel – religieus getoonzet – bezwaar hebben tegen al te mooie, levensgroot afgebeelde dames in gouden bikini’s. Die om goede redenen voor euthanasie zijn, of abortus. Misschien zijn ze ook wel tegen maar dan roepen zij niet het geloof in ter rechtvaardiging van hun al te menselijke mening.

Zoals ik, seculier en ongelovig, de plicht heb om me altijd in de richting te blijven bewegen van gelovigen en aan te bieden samen een eindje op te lopen. Zo zouden juist de ‘zoekende gelovigen’ een voortrekkersrol kunnen en moeten spelen in het politieke en publieke debat. Door er op te wijzen dat geloven prachtig is, maar dat niet synoniem is aan kerkelijke dogma’s die ons dagelijkse leven dicteren. Misschien ook wel dat geloven geen autoritaire macht verdraagt. Dat we het wel degelijk zelf en samen uit moeten zoeken als wij moeilijke ethische en politieke afwegingen maken. Dat religie een plaats heeft in de politiek als leidraad en inspiratiebron maar dat ethische superioriteit, ‘het zekere weten’ het open democratische debat fnuikt.

Ab wordt gemist!