Uitgesproken door Femke Halsema op 31 maart 2015 tijdens het Afscheidssymposium van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling 

De publieke dienstbaarheid in ons land laat te wensen over. Het komt nog te vaak voor dat mensen aan de balie van een bevoegde instantie weggestuurd worden. Een groeiende tegenbeweging wil dat de kwetsbaarheid én de kracht van burgers op juist waarde worden geschat.

De moeder van Sophia, een vriendin van mijn 11-jarige dochter kwam op me af. Of ik haar kon helpen. Zij, een kleine donkere vrouw, afkomstig uit Somalië, was duidelijk geëmotioneerd. We kenden elkaar een beetje, zoals ouders op een schoolplein elkaar kennen. ‘Waarmee kan ik je helpen’, vroeg ik. Het was moeilijk, lag gevoelig, dus we dronken diezelfde middag samen thee.

We werden gemaand om weg te gaan
Sophia woont achter mij in een kleine bovenwoning, die het bezit is van de plaatselijke woningbouwvereniging, samen met haar zoon en dochter, beiden nog in de basisschoolleeftijd. Haar man bleef achter in Somalië, zij vluchtte. Heel af en toe zien zij elkaar. Veel weet ik verder niet van haar, wel dat ze chronische migraine heeft.

Ze vertelt dat er tegenover haar een man woont die bij haar naar binnen kan kijken. De man is verliefd, zegt hij, en dat laat hij steeds indringender merken. Briefjes onder haar autoruit, haar opwachten voor de deur en achtervolgen door de wijk, haar kinderen worden er bang van. De dag voordat ze mijn hulp vroeg had hij eindeloos op haar voordeur gebonkt. De man is verward, psychotisch misschien, wat ook niet helpt om hem op andere gedachten te brengen. Inmiddels hield ze de gordijnen dag en nacht dicht want als zij naar buiten kijkt dan ziet ze dat hij dat ziet.

Ze had hulp gezocht bij de wijkagent, de woningcorporatie, niemand had gereageerd. Of ik met haar meewilde naar de politie om haar verhaal opnieuw te doen en bescherming te zoeken. Dat wilde ik. Misschien hielp mijn bekende gezicht, anders mijn scherpe tong.

Daar kwam ik helemaal niet aan toe. Op het wijkkantoor troffen wij een boom van een agent. Zij deed haar verhaal, ik stond achter haar. Dat ze al een keer aangifte had gedaan. Dat dit geen verschil had gemaakt. Dat ze bang was, zich bedreigd voelde. Halverwege onderbrak de agent. Hij kon niks doen, zei hij. We verdeden onze tijd. Alleen als er een acuut gevaar was, kon de politie optreden. Was dat er op dit moment? Nee, nou dus.

En dat was niet alles. Ongevraagd voegde hij er aan toe dat hij betere dingen te doen had. Toen ik tegensputterde, hem op zijn onfatsoen wees, werden we genegeerd en gemaand om weg te gaan.

Nu, laat ik meteen zeggen, dat deze agent vast niet representatief is voor de omgangsvormen van de Amsterdamse politie. Dat veel hulpverleners juist heel vriendelijk en behulpzaam zijn en zelf worden geïntimideerd, bedreigd en lastiggevallen.

Maar het vond wel plaats. En vernederd worden aan een balie of van het kastje naar de muur gestuurd worden, dat zijn ervaringen waarin iedereen kan delen.

De moeder van Sophia kreeg daarna steun van veel buurtbewoners. Deze vormden een ring van beschermers om haar heen en wisten samen uiteindelijk ook door te dringen tot de woningcorporatie. De man woont er nog. Maar zij is inmiddels verhuisd. Naar een andere wijk, ver weg van de bedreiger. Nu brengt ze de kinderen met de auto naar school en Sophia en mijn dochter spelen minder samen.

Burgers verdienen het niet om door overheid gewantrouwd te worden
Institutionele vernedering noemt de Israëlische filosoof en publicist Avishai Margalit dat, strijdig met de fatsoenlijke samenleving die wij beogen.

Ik heb mijn anekdote bewust gekozen omdat alles er mis gaat. Dichte deuren, niet gehoord worden, en plein public, aan een balie, letterlijk vernederd worden, in de steek gelaten worden en uiteindelijk degene zijn, als slachtoffer, die moet verhuizen.

De laatste jaren is er een beweging op gang gekomen om de vernedering van mensen, hun afhankelijkheid van grote bureaucratische instanties, te verminderen, en tegelijkertijd het eigen initiatief, de participatie beter te belonen.

Met allerlei jargontaal wordt de ‘samenredzaamheid’ van mensen vergroot, worden ze uitgenodigd om deel te nemen aan een ‘doe-democratie’, om vooral hun burgerschap ‘actief’ te beleven, om ‘sociaal te doe-het-zelven’ en in conferenties hun ‘eigen kracht’ te vergroten. Het zijn, dikwijls ook heel betekenisvolle variaties op, en aanpassingen van ‘de participatiesamenleving’ die door de regering wordt gewenst.

Nu lijkt het misschien alsof ik deze initiatieven wil ridiculiseren maar dat is, behalve de verschrikkelijke taal, niet het geval. Ik denk dat het teruggeven van zeggenschap van mensen over hun eigen bestaan, de erkenning van officiële zijde dat mensen in staat zijn hun eigen problemen op te lossen, en dat dikwijls beter kunnen dan de bevoegde instanties, een grote verbetering is. Vooral ook, omdat daarmee erkend wordt dat veel mensen wel graag willen meedoen, te goeder trouw zijn en het niet verdienen om te worden gewantrouwd.

De initiatieven getuigen ook van respect voor de dikwijls heel kwetsbare betrokkenen. En bovendien bieden ze vaak goedkopere oplossingen dan de dure en frustrerende gang over de markt van welzijn en geluk die mensen maken die geld-, huisvestings- en opvoedingsproblemen hebben.

In de discussies over ‘eigen kracht’ en actief burgerschap hebben de Raad voor Maatschappelijke ontwikkeling en haar voorzitter Sadik Harchaoui de afgelopen jaren een grote rol gespeeld. Wat mij betreft, verdienen beiden daarvoor een compliment.

Institutionele vernedering kan kwetsbaarheid van mensen vergroten
Ik ben het eens met de opmerkingen van één van de belangrijkste initiatiefnemers, Jos van der Lans, dat veel negatief commentaar niets anders is dan cultuurpessimisme: ‘De verdediging van de institutionele orde uit naam van de kwetsbaren is een sterk conserverende kracht geworden; het wil niet zien waar het mis gaat en het biedt geen toekomstperspectief. Het beschermt gangbare professionele praktijken en de institutionele zekerheden die daar de logge vertaling van zijn geworden. Daar zijn kwetsbare Nederlanders dus niet langer mee gediend. Laat staan geholpen’.

Dat klopt als een bus. Met de verdediging van de institutionele orde zijn kwetsbare Nederlanders lang niet altijd gediend. Door de ervaring van vernedering kan de kwetsbaarheid van mensen zelfs groter worden. Op de site Sociale Vraagstukken stuitte ik op een mooi artikel over kwetsbaarheid van Andries Baart.

Hij beschrijft een ander nadeel van de grote nadruk op kracht, participatie en zelfredzaamheid, dat hout snijdt: ‘Kwetsbaarheid als een brekelijk maar kostbaar goed verbleekt in het optimistische licht van herstel en participatie. Daarmee is de idee van kwetsbaarheid als gewoon, alledaags menselijk noodlot, als een vast basisgegeven van mens-zijn, buiten beeld gedrukt. Kwetsbaar zijn de onfortuinlijke (of slappe) anderen.’

Ik zou daar aandacht voor willen vragen, voor kwetsbaarheid als brekelijk maar kostbaar goed. En voor iets anders. De moeder van Sophia is kwetsbaar, maar niet slap. Hoe goed en effectief ook de buurtbewoners die haar willen beschermen opereren, zij is en blijft afhankelijk van grote bureaucratische instituties zoals politie, volkshuisvesting en geestelijke gezondheidszorg.

Het doorbreken van de cultuur van wantrouwen
Er zijn de afgelopen jaren vele discussies gevoerd over het doorbreken van de cultuur van wantrouwen in bureaucratische instanties. Het is namelijk juist die cultuur die leidt tot nieuwe protocollen, extra regelgeving, controle en ingewikkelde verantwoordingsprocedures. Ofwel, tot nieuwe bureaucratie.

Er zijn talloze onderzoeken gedaan naar marktwerking, de bedrijfsmatige overheid of het klantdenken als oorzaken van de reproductie van vernedering en afhankelijkheid van mensen die gebruik maken van publieke diensten. Nu kan ik me vergissen maar al die onderzoeken, discussies en Kamerdebatten hebben niet werkelijk geleid tot een andere atmosfeer in de publieke en semipublieke sfeer. Met de grote decentralisaties op dit moment is het gevaar juist levensgroot dat nieuwe vernederende procedures worden geïntroduceerd door nerveuze managers die chaos vrezen. De initiatieven van ‘eigen kracht’ en ‘sociaal-doe-het-zelven’ zijn de broodnodige correctie hierop.

Alleen, hoe goed deze initiatieven ook zijn, deze mogen niet afleiden van het kritische besef over het functioneren van publieke instituties. Al die kwetsbare Nederlanders – de moeder van Sophie, maar ook u en ik – hebben een grote behoefte aan verandering van de institutionele orde. Aan meer beleefdheid, menselijke maat, meer inlevingsvermogen en minder vernedering. Minder vernedering door bureaucratische procedures, minder vernedering door dienstdoende ambtenaren die menen dat zij machthebbers zijn in plaats van publieke dienaren.

Er is een tekort aan publieke dienstbaarheid, waarbij kwetsbaarheid wordt geadresseerd, zonder dat deze tot permanente overheidsafhankelijkheid leidt of als slap wordt gediskwalificeerd.

Nu de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling doorgaat in de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving hoop ik dat zij het eigen sociale initiatief van mensen weet te bevorderen, maar ook en vooral dat zij kritisch schrijft en spreekt over institutionele vernedering als een continue probleem.