Enneüs Heermalezing 2014

Door: Femke Halsema
uitgesproken op 29 oktober 2014

 

“Zo’n tien jaar geleden werd ik benaderd door het ziekenhuis bij mij in de buurt. Even daarvoor was mijn tweeling er geboren, net zoals even daarvoor bij wet was bepaald dat ziekenhuizen verplicht werden een cliëntenraad te hebben. Mocht deze zin enig causaal verband tussen die twee gebeurtenissen suggereren, dat is er helemaal niet. Of ja, toch wel. Vanwege de geboorte van mijn kinderen in dat ziekenhuis werd ik beschouwd als een vaste ‘client’ en gevraagd om de pas opgerichte cliëntenraad te leiden. Nu was ik best druk met twee baby’s en een fractievoorzitterschap ernaast. Toch leek het mij goed om de grote problemen in de zorg, die wekelijks op de agenda van de Tweede Kamer stonden, ook eens te kunnen zien op het niveau van een ziekenhuis, een beetje van binnenuit.

Door de Raad van Bestuur werd ik met open armen ontvangen. Eigenlijk, alsof ik één van hen was. ‘Ik begreep natuurlijk wel’, zeiden ze, ‘dat zo’n Raad vaak uit mensen bestond die niet echt begrijpen hoe ingewikkeld en problematisch de bedrijfsvoering is van zo’n ziekenhuis’. Daarom deden ze ook een beroep op mij, ik zou dat in goede banen kunnen leiden.

Wij gingen als cliëntenraad aan de slag. Een bont gezelschap en ik, samengesteld door de Raad van Bestuur. Er was een dakloze bij, een chronische patiënt uit het ziekenhuis en iemand met overduidelijke geestelijke problemen. En wij mochten de Raad van Bestuur gevraagd en ongevraagd adviseren. Dat viel nog niet mee. Er was geen agenda, nauwelijks zicht op de problemen in het ziekenhuis, weinig toegang tot stukken. Bovendien stuurde de Raad van Bestuur dat het een lieve lust was. Voor elke vergadering werd ik op broodjes getrakteerd, gesprekje zus, gesprekje zo. Het gesprek met mijn medecliënten was moeizaam. Veel vergadertijd ging op aan het bespreken van ziektes en kwalen, en – vriendelijk gezegd – lagen onze interesses nogal ver uit elkaar.

In mij, dat is nu eenmaal de aard van het beestje, begon vrij snel de opstand te borrelen. Ik bedacht me dat als je gevraagd werd om namens de patiënten een groot ziekenhuis te controleren en adviseren, dat een serieuze taak was. En wat was het toeval, er deed zich net een serieuze kwestie voor. De Raad van Bestuur deelde me tijdens een broodje terloops mee dat de ziekenhuisapotheek verzelfstandigd zou worden. Er waren heel belangrijke financieel-economische redenen voor, verzekerden ze me. Nu wilde dat, wat mij betreft, niet zeggen dat daarmee ook de belangen van patiënten waren gewaarborgd. Ik dook er in, verzamelde informatie en schreef een paar weken later, met instemming van de andere raadsleden, een negatief advies.

Korte tijd later, tijdens – opnieuw – een broodje, suggereerde de voorzitter van de Raad van Bestuur dringend dat het wellicht beter was als ik mijn voorzitterschap neerlegde omdat we blijkbaar verschillende verwachtingen hadden van het functioneren van een cliëntenraad en ik bovendien natuurlijk al druk genoeg was. Dat laatste was zeker het geval. Ik telde de knopen op mijn jas, wist dat ik onvoldoende energie had voor het werkelijke gevecht en daar scheidden onze wegen.

Waarom haal ik dit kortstondige fiasco dan toch aan. Omdat ik er twee stellingen mee wil illustreren.

1. De eerste is dat het te vaak bij managers, bestuurders en politici mist aan werkelijke wil om cliënten, beter gezegd burgers, inzage te geven in, en te betrekken bij hun beslissingen. Burgers worden beschouwd als een hindermacht en niet als een onmisbare partner bij goede besluitvorming.

2. Burgers missen de macht en de kracht om onwillige managers en bestuurders te forceren hen serieus te nemen. Ook als er een open atmosfeer is in bijvoorbeeld woningcorporaties, bij zorg- en welzijnsinstellingen of in het onderwijs, is er nog altijd een dwangverhouding: burgers zijn klanten bij die instellingen en hebben zich te voegen. Als patiënt in een ziekenhuis kun je maar tot op zekere hoogte lastig zijn: ergens wreekt het zich. Of zoals wij thuis wel eens tegen elkaar zeggen: ‘wij hebben onze jaarlijkse grens aan kritische opmerkingen over de school van de kinderen weer bereikt, want we mogen en kunnen de directie en de juffen niet tegen ons in het harnas jagen.’

Er bestaat m.a.w. veel te weinig machtsevenwicht tussen professionals en de burgers die eigenlijk centraal moeten staan.

Ik ben vanmiddag uitgenodigd om iets te zeggen over ‘de burger aan zet’, het thema van deze Heermalezing. Laat ik het bestuur, en in het bijzonder de familie Heerma, danken voor de eervolle uitnodiging. De Alliantie geeft door dit thema te kiezen aan midden in het publieke en politieke debat te staan. Al jaren breken beleidsmakers zich er het hoofd over hoe burgers meer te betrekken bij de bureaucratie. Sinds een paar jaar is daar de weinig verleidelijke term ‘de particpatiesamenleving’ voor bedacht.

Laat ik als eerste zeggen dat ik nog wel eens moeite heb met de negatieve veronderstelling die in de ‘participatiesamenleving’ zit. Burgers zouden te passief zijn, te weinig deelnemen aan het maatschappelijk verkeer, zich te weinig verantwoordelijk voelen voor hun buren, de kwetsbaren in hun omgeving, de mensen die zorg en hulp nodig hebben.

Dat is natuurlijk lariekoek. Bijna de helft van de Nederlanders verricht vrijwilligerswerk, variërend van mantelzorg, de administratie van de sportclub, hulpbehoevende buurtbewoners vervoeren tot en met bestuursactiviteiten. Met de betrokkenheid van Nederlanders is nog altijd weinig mis, getuige ook de opkomst bij verkiezingen, de ondertekening van petities, de levendige discussies die overal en nergens worden gevoerd.

Ik heb er ook wel enige moeite mee dat de bedenkers ervan, de huidige regering, vaak suggereren dat het hen bij de ‘participatiesamenleving om een mooi ideaal gaat, terwijl het in werkelijkheid natuurlijk een marketingterm is, waarmee de hevigste pijn van grootschalige bezuinigingen op zorg, welzijn, volkshuisvesting en onderwijs wordt gemaskeerd. Het is daarmee ook een beetje een jij-bak. Zo van: ‘we bezuinigen op uw voorzieningen, maar dat doen we voor uw eigen bestwil, nu bent u weer meer zelf aan zet en dat is goed voor u’.

Nu ik netjes deze negatieve kanttekeningen heb geplaatst bij wil ik me vervolgens volledig bekeren tot de gedachte dat het heel erg goed zou zijn als burgers meer zeggenschap, medezeggenschap, soms ronduit meer macht krijgen. Laat ik daar ook meteen bij zeggen dat ik daarmee net iets anders bedoel dan met de mantra participatiesamenleving wordt bedoeld.

Daarvoor heb ik drie argumenten:

1. Machteloze, afhankelijke burgers zijn onnodig duur;

2. Als mensen zich machtig en kritisch voelen, zijn ze een stuk gelukkiger;

3. Van kritische burgers knapt de staat – de uitvoering, de bureaucratie en het bestuur – enorm op.

Het valt u misschien op dat ik andere woorden kies dan ‘participatie’. Dat doe ik bewust. Participatie veronderstelt namelijk dat mensen meedoen aan de bestaande organisaties, zich voegen naar de bureaucratie die al voor hen is opgericht, zonder werkelijke zeggenschap over de inrichting daarvan en zonder deze wezenlijk te kunnen corrigeren.

Als we dan toch in jargon spreken, zou ik liever over emancipatie en coöperatie spreken: daar moet het om te doen zijn. Emancipatie betekent namelijk dat je mensen verheft uit een positie van achterstand en achterstelling en werkelijk zelfstandig maakt. De staat beoogt dan mensen volledig gelijkwaardig aan elkaar te maken, in kansen en uitgangspositie.

Coöperatie betekent zelforganisatie van mensen, gebaseerd op gelijkwaardigheid en wederzijds respect. De ChristenUnie introduceerde enige tijd geleden de coöperatiesamenleving ter vervanging van de participatiesamenleving, en hoewel het ook niet zo sexy klinkt, vond ik dat niet zo gek bedacht.

Ofwel, ik zou willen streven naar emancipatie en coöperatie, in plaats van participatie.

En daar heb ik, zoals gezegd drie argumenten voor. Het eerste:

1. Machteloze, afhankelijke mensen zijn heel kostbaar.

De afgelopen decennia hebben wij een verzorgingsstaat gebouwd die mensen beschermt, althans dat is de ambitie, tegen de vernedering van armoede, kansloosheid en achterstelling. De ambitie is ook om daarmee mensen zeggenschap over het eigen bestaan te geven. Ze mondig en onafhankelijk te maken, door – zoals het sociaaldemocratische mantra in de glorietijd van de opbouw van de verzorgingsstaat, de jaren zeventig, heette – kennis, inkomen en macht te spreiden.

Het goede nieuws is dat Nederland een redelijk egalitair land is waar de kansen op een goede opleiding en aangenaam werk zich niet meer beperken tot de bevoorrechte bovenlagen.

Het slechte nieuws is allereerst dat dit nooit in die mate is gelukt die oorspronkelijk, toen in de jaren zestig en zeventig de welvaart snel steeg, voor ogen stond. Nederland kent nog altijd grote tegenstellingen, en je postcode bepaalt nog te vaak je maatschappelijke kansen.

In NRC-Handelsblad verscheen eind augustus een prachtig vierluik over de Haagse spoorwijk. De aanleiding was de quote-500-bende, een groep inbrekers die was opgepakt en allemaal uit diezelfde wijk afkomstig bleken. NRC dwaalde een tijd rond, sprak met de buurtbewoners en maakte een röntgenfoto van spoorwijk. En wat de twee journalisten zagen, waren van generatie op generatie overgeleverde werkloosheid, sociale problemen, schulden, afwezige vaders, ontsporende zonen.

U kent waarschijnlijk allemaal de wijken, buurten en mensen waar de hardnekkige problemen zich concentreren, die ook bijna volledig afhankelijk zijn van de diensten van de verzorgingsstaat: de volkshuisvesting, de sociale zekerheid, de GGD, jeugdzorg, schuldhulpverlening enzovoort.

En dat is – opnieuw – het slechte nieuws. De filosoof Hans Achterhuis waarschuwde al aan het begin van de jaren tachtig dat er een ‘markt van welzijn en geluk’ ontstond. Achterhuis concentreerde zich met name op de toen exploderende welzijnssector en trok de vernietigende conclusie dat een toename van welzijnsaanbod (maatschappelijk werk, straathoekwerk enzovoort) bepaald niet leidde tot vermindering van de vraag. Sterker, het aanbod creëerde steeds nieuwe vraag, vooral omdat de vele welzijnswerkers mensen ook bewust maakten van hun noden en behoeften die zij eerder niet hadden of noemden.

Nu, ook dit probleem kent u. Het is lang geleden al geanalyseerd, en vele malen is getracht de afhankelijkheid van mensen aan sociale voorzieningen te verminderen en te doorbreken. Dat is maar beperkt gelukt. Tussen 1985 en 1995 maakte bijvoorbeeld een historisch hoog aantal mensen gebruik van bijstand (met een piek van bijna 600.000 uitkeringen in 1985), dat is daarna gedaald. De laatste jaren – door de crisis en de snel stijgende werkloosheid neemt het weer schrikbarend toe.

Bovendien staat minder bijstandsafhankelijkheid in schril contrast met de gestage groei van andere problemen: de afgelopen 20 jaar is de dakloosheid toegenomen, er staan meer gezinnen op straat, meer kinderen worden uit huis geplaatst en meer mensen doen een beroep op de schuldhulpverlening. Na een afname van een aantal jaren stijgt de laatste jaren ook het aantal huisuitzettingen weer.

Ofwel, boud gesteld, inperking van sociale voorzieningen heeft niet geleid tot vermindering van de afhankelijkheid van mensen; die verschuift eerder naar andere diensten, andere hulpverleners. Je zou, enigszins provocerend, zelfs kunnen zeggen dat het aanbod dat mensen krijgen geleidelijk meer repressief van aard is geworden. Terwijl de straathoekwerker als taak had om vroegtijdig en preventief de problemen in een buurt en straat te signaleren, leggen moderne jeugdzorg en schuldhulpverlening een grote nadruk op sancties bij disfunctionerende mensen en gezinnen.

De markt van welzijn en geluk bloeit ondertussen onverstoorbaar, ongeacht talloze bezuinigingsronden die er de afgelopen decennia zijn geweest waardoor belangrijke diensten, ik noem maar eens de thuiszorg, sterk onder druk komen te staan of zelfs verdwijnen. Maar omdat de achterliggende problemen – de hulpvraag die tot de dienst leidde en de afhankelijkheid van de patiënt of cliënt van hulp –  niet verdwijnen, komen deze op het bord van een andere hulpverlener terecht . Deze moet er vroeger of later een antwoord op geven. Bezuinigingen op sociale en hulpvoorzieningen vinden namelijk nooit of zelden plaats omdat het emancipatieproces van de hulpbehoevenden is afgerond, zij zich zelfstandig, sterk en vrij van problemen voelen, maar juist omdat de problemen voortbestaan en te kostbaar worden. Een bezuiniging is zelden werkelijk een bezuiniging, het geld verschuift van de ene instelling naar de andere, van de ene hulpverlener naar de andere.

Twee voorbeelden.

In een recent interviewt becijfert Pieter Hilhorst, essayist en voormalig wethouder van Amsterdam, wat een gezin kost waarbij alles is misgegaan. ‘Er zijn gezinnen, zegt hij, ‘die jaarlijks wel 100.000 euro kosten. Door de kosten voor maatschappelijke opvang, kinderen die in instellingen zitten, ouders die verslavingszorg nodig hebben etc.’ Hij is er ook somber over dat deze kapitale investering nauwelijks leidt tot werkelijke verbetering van het leven van mensen. Hilhorsts analyse: er wordt nauwelijks ingezet op gedragsverandering bij mensen, eigen initiatief wordt niet beloond. Als voorbeeld geeft hij de situatie van mensen in de schuldhulpverlening, wat bij deze gezinnen vaak het geval is. Zij worden beboet waardoor het 3 tot 5 jaar duurt voor ze opnieuw kunnen beginnen, bovendien worden ze ontmoedigd om werk te zoeken omdat ze dan alles wat ze verdienen moeten afdragen.

In een artikel in De Correspondent stelt onderzoeksjournalist Rutger Bregman dat de kosten voor de ongeveer 27.000 daklozen die Nederland nu heeft, een vermeerdering met ongeveer 10.000 sinds 2009, meer dan een miljard bedragen. Dat gaat om opvang, begeleiding, hulpverlening en de kosten van maatschappelijke overlast.

In deze twee voorbeelden van grote maatschappelijke kosten, is het ook nog eens zo dat de situatie van mensen niet werkelijk verandert. Bij de gezinnen wordt meestal vermeden dat het van kwaad tot erger gaat, de daklozen worden op een minimaal bestaansniveau beschermd.

Vanzelfsprekend zijn er altijd de enkele gevallen, de voorbeelden van mensen die zich met de hulp van professionals aan de haren uit de modder trekken. Het zijn er tegelijkertijd ook altijd zo weinig dat zij gemakkelijk tot anekdoten opklimmen: de eindeloos herhaalde voorbeelden van succesvolle interventie.

Nu zult u misschien zeggen dat we ook moeten aanvaarden dat er mensen zijn die zich niet laten helpen, bij wie de problemen zo hardnekkig zijn – soms al van generatie op generatie, zoals in de Haagse spoorwijk – dat we ons geen illusies moeten maken over verandering van levensstijl, het verdwijnen van sociale problemen.

Maar misschien zeggen we het ook vaak te gemakkelijk. Misschien is er ook wel sprake van een – wellicht onbewust – belang bij het in standhouden van de afhankelijkheid: op de markt van welzijn en geluk houden vraag en aanbod elkaar in stand.

En hiermee kom ik aan mijn tweede argument voor emancipatie en coöperatie.

2. Zelfstandige, kritische mensen zijn een stuk gelukkiger.

Nu is dat eigenlijk een open deur dus daar kan ik korter over zijn.

Uit de talloze onderzoeken die onze nationale geluksprofessor Veenhoven heeft gedaan blijkt onveranderlijk hetzelfde. Mensen die de baas zijn over hun eigen bestaan, door inkomen en werk bijvoorbeeld, zijn gelukkiger dan mensen die afhankelijk zijn. Mensen die zeggenschap hebben over hun leefomgeving idem dito. Mensen die kunnen meebeslissen op de werkvloer, voelen zich meer verbonden met het bedrijf of de organisatie waar ze werken. Het onderstreept het belang van werkelijke emancipatie – het bevrijden van mensen uit afhankelijkheid en achterstand – in een notedop.

Nu dient zich ogenblikkelijk de vraag aan hoe je bijvoorbeeld de inwoners van de Haagse Spoorwijk, meer zelf verantwoordelijk kan maken, waardoor zij zich gelukkiger gaan voelen en tegelijkertijd de maatschappelijke kosten afnemen. Nu kan ik niet in het bestek van deze lezing de oplossing geven voor heel hardnekkige maatschappelijke problemen maar ik kan wel, meer anekdotisch een nieuwe richting met u verkennen.

Vorige week hoorde ik op de radio een burgemeester vertellen over een uitstapproject met prostituees dat zijn gemeente, ik meen Eindhoven, had gedaan. Dat was van simpele schoonheid. De prostituees draaiden in vicieuze cirkels rond van verslaving, afhankelijkheid, uitbuiting en hulpverlening. Nu, zei de burgemeester, wij hebben 34 prostituees apart genomen. Wij hebben 1. de verslaving geaccepteerd, 2. De vaste hulpverlening bij hen weggehaald. En wij zijn met ze aan tafel gaan zitten en hebben ze gevraagd wat ze eigenlijk wilden worden, wat ze wilden doen met hun leven. Een belangrijk deel van de hulpverleningsgelden, en dat was best een vorstelijk bedrag, hebben wij als een ontwikkelingsbudget aan de vrouwen toegekend. Van de 34 vrouwen vielen er een aantal terug, een paar vrouwen overleden aan de gevolgen van hun leefstijl maar de rest wist met het geld, eigenlijk als een soort microkrediet – verleend onder harde voorwaarden, een nieuw leven op te bouwen. Inmiddels, een paar jaar verder, zijn deze vrouwen werkelijk op weg naar een nieuw bestaan.

Rutger Bregman haalt een Amerikaans voorbeeld aan in zijn artikel over dakloosheid. De staat Utah kampte met een gigantisch daklozenprobleem, en enorme financiele en maatschappelijke kosten als een gevolg daarvan. De plaatselijke directeur van de daklozenopvang bood eerst experimenteel aan een kleine groep notoire en verslaafde daklozen een gratis appartement aan. Toen na 2 jaar bleek dat deze daklozen nog steeds een dak boven hun hoofd hadden en samen met een hen toegewezen hulpverlener hun leven op orde wisten te brengen, werd het uitgebreid. Inmiddels is in Utah de chronische dakloosheid met 74% gedaald terwijl het in omliggende staten met meer dan 200% is gestegen. Geen kunst, zult u misschien denken, als je een gratis appartement krijgt. Maar veel interessanter is dat de kosten voor dakloosheid enorm daalden. Een dakloze op straat kostte er (aan zorg, politie en justitie) 17.000 euro, een appartement incl begeleiding kost 11.000 euro per jaar.

Een ander voorbeeld. Ik ben voorzitter van een noodhulporganisatie, Stichting Vluchteling. Wij, net als andere organisaties, experimenteren met het geven van geld aan vluchtelingen, in plaats van tenten, eten, medicijnen etc. Wat blijkt, bijvoorbeeld bij de Syrische vluchtelingen in noord Libanon, waar het wordt toegepast, werkt het heel goed. Vluchtelingen kunnen hun eigen huishouden gaan voeren, ze kopen wat ze echt nodig hebben, ze worden actief en gaan economische activiteiten ontplooien. Bovendien is het veel goedkoper omdat veel overhead verdwijnt, en het probleem van overbodige goederen (waar geen behoefte aan blijkt te bestaan) en schaarste die tot extra inkoop leidt, ook vermindert. Het belangrijkste is wel dat aan de vluchtelingen zelfstandigheid en waardigheid wordt teruggegeven.

Nog een voorbeeld uit Nederland. In een groot aantal gemeenten wordt inmiddels geëxperimenteerd met eigenkracht-conferenties. In plaats van ogenblikkelijk de jeugdzorg in te schakelen als er gezinsproblemen zijn, of de schuldhulpverlening bijvoorbeeld, worden mensen in staat gesteld om in hun eigen netwerk naar oplossingen te zoeken. Met dat netwerk worden eigenkrachtconferenties belegd en gezocht wordt naar oplossingen buiten de officiële hulpverleningskanalen om. Bepalend voor het succes is wel hoe die eigenkrachtconferenties worden opgezet.  In een mooi essay, recent in de Groene Amsterdammer, geven Jos van der Lans en Pieter Hilhorst een voorbeeld van hoe het niet moet. Zij waren bij een bijeenkomst van dakloze jongeren die aan elkaar vertelden dat je nooit moest zeggen dat je nog contact had met bijvoorbeeld familieleden. Zoals een jongere zei: ‘je moet altijd zeggen, ik heb niemand, ik zie niemand, niemand kan me helpen’, anders heb je geen recht meer op hulp. Hier zeggen Van der Lans en Hilhorst bijt ‘eigen kracht’ in zijn eigen staart, omdat mensen juist hun afhankelijkheid vergroten om hulp te kunnen krijgen. Er staat dus een premie op afhankelijkheid en niet op emancipatie: de markt van welzijn en geluk werkt nog op volle toeren. Van belang is het, schrijven zei, dat mensen het recht wordt gegeven om hun eigen problemen op te lossen, het moet werkelijk gaan om een ander besluitvormingsmodel, waarbij het eigen initiatief juist wordt beloond. Bijvoorbeeld, bij het gezin dat op eigen kracht oplossingen zoekt in het eigen netwerk, wordt niet geconfronteerd met de uithuisplaatsing van kinderen. Deze wordt opgeschort of afgewend. Een dakloze jongere wordt beloond met een eigen kamer, en niet het gedwongen verblijf bij een tante, als hij met die tante en anderen ervoor zorgt dat hij daarmee ook zijn leven op het spoor krijgt.

Nu goed, belonen van initiatief, versterken van de eigen kracht, eigen budgetten geven ipv hulpverlening, opvang en controle: er zitten natuurlijk een hoop haken en ogen aan, het zal ook vast perverse effecten hebben, maar waarom niet proberen? Zeker als het goedkoper is.

En daarmee kom ik aan mijn derde argument: niet alleen emancipatie, maar ook coöperatie ipv participatie.

3. Van kritische burgers knapt de staat enorm op

U kent natuurlijk allemaal ‘the wisdom of crowds’ het boek van een jaar of tien geleden waarin zo aardig werd aangetoond dat naarmate meer mensen meedenken over besluiten, deze over het algemeen beter worden.

De cliëntenraad in het ziekenhuis, waar ik een blauwe maandag voorzitter van was, was een groot vertoon van minachting jegens de mensen om wie het draait. Al te gemakkelijk wordt verondersteld dat gewone patiënten geen inzicht hebben in de ingewikkelde bedrijfsvoering van een ziekenhuis en de lastige financiële en ethische opgaven die er liggen. In mijn voorbeeld werd de cliëntenraad ook nog eens zo samengesteld dat de bestuurders hun gelijk van incapabele patienten gemakkelijk bewezen zagen.

Ik geef u een ander voorbeeld. De afgelopen jaren deed ik onderzoek naar het disfunctioneren van Amarantis, en in een tweede instantie naar de grote problemen in meerdere organisaties in de semipublieke sector.

Amarantis was na het bestuurlijke wanbeheer dat jaren heeft voortgeduurd, op sterven na dood. Een kolos van een school, hiërarchisch aangestuurd vanaf de zuidas met een grote angstcultuur en nog grotere financiële problemen. Amarantis heeft het uiteindelijk, in stukken gehakt gered. Dat kwam natuurlijk omdat er veel betere bestuurders en directeuren aantraden, maar er was nog een reden die minder aandacht kreeg. Toen Amarantis werkelijk kapseisde hebben lager management, leraren en ook ouders en studenten zich verenigd. Zij zijn zelf oplossingen gaan verzinnen voor de noodlijdende school. Ze hebben aangegeven waar de schaarse middelen echt naar toe moesten, voorstellen voor bezuinigingen gedaan en voor een andere interne organisatie. En ze vonden gehoor. Ze werden werkelijk serieus genomen, aan tafel genood en kregen werkelijke medezeggenschap. Niet een ongevaarlijk adviesje schrijven maar richting geven, meeduwen en beslissen. Daarop is de school ook herleefd. Op gezamenlijke motivatie en geestdrift, en op wederzijds respect, ondanks de verschillen in hierarchie.

Vorig jaar heb ik leiding gegeven aan een commissie die een nieuwe gedragscode moest schrijven voor de semipublieke sector. Als commissie hebben wij daarvan afgezien. Een van bovenaf opgelegde code gaat niet werken, analyseerden wij na een groot aantal gesprekken met betrokkenen in de sector (er zijn er ook al meer dan genoeg). Daarvoor in de plaats zal er een ‘lastig gesprek’ moeten worden gevoerd in elke organisatie, van hoog tot laag, ongeacht de achtergrond van de deelnemers aan dat gesprek. Publieke en semipublieke organisaties zullen weer vaker de coöperaties moeten worden, die ze in het verleden ook dikwijls waren.  En schrikt u niet, ik heb geenszins de bedoeling om de grote verandering in de volkshuisvesting, die ooit door Enneaus Heerma werd geïntroduceerd, weer terug te draaien. Maar wel om de oude gedachte van samenwerking met gebruikers, klanten en medewerkers weer nieuw leven in te blazen. Om mensen meer zeggenschap te geven over de volkshuisvesting, waar zij ook de belangrijkste partner in zijn. In ons rapport ‘een lastig gesprek’ zeggen wij dat het allerbelangrijkste in de semipublieke sector de komende jaren is dat er een omkering in denken plaatsvindt. Huurders, patiënten, leerlingen enzovoort zijn geen klanten die een gestandaardiseerd product afnemen. Zij zijn burgers die uiteindelijk eigenaar zijn van de publieke en semipublieke sfeer. Zij zouden niet als een hindermacht moeten worden gezien maar als partners in crime.

Een laatste veelzeggend voorbeeld tot slot. Op het Zeeburgereiland in Amsterdam vindt coöperatieve gebiedsontwikkeling plaats. Dat wil zeggen dat de bewoners niet meer worden geconfronteerd met een hermetisch plan van de gemeente, dichtgetimmerd met allerlei contracten, maar zelf hun buurt mogen bouwen, ook in de sociale huursector. De Alliantie is daarbij betrokken, net als pakhuis De Zwijger, aan wiens directeur ik zo het stokje overdraag, en die er meer over zal vertellen. Het moge duidelijk zijn dat dit een goed voorbeeld is van wat ik bedoel.

Als je naar het Zeeburgereiland rijdt dan kun je de Heermabrug passeren, die een belangrijke toegangspoort vormt tot de nieuwe gebieden in Amsterdam. Toen ik de lezing voorbereidde, dacht ik, je kan het slechter treffen als politicus, om je naam symbolisch verbonden te zien aan zo’n markante overgang tussen verleden en toekomst. Ik keek een oud CDA-spotje terug, van de tijd dat Ennaeus Heerma fractievoorzitter was. Hij sprak, een beetje deftig, in klassieke termen, van publieke rechtschapenheid, rentmeesterschap. Het was de taal van het oude CDA, van het maatschappelijke middenveld, de coöperaties, de zeggenschap in eigen kring. En terwijl ik luisterde dacht ik, oude termen, die heel modern klinken omdat deze juist de zelfstandigheid van mensen en hun onderlinge samenwerking benadrukken. Back to the future met Ennaeus Heerma, zeg maar. “