Aug
15

De wet en ongehoorzaamheid

De laatste negen dagen zei Wijnand dikwijls dat hij het gevoel had voortdurend op een achtbaan te zitten. Dat kon en kan ik volmondig beamen. En dat gevoel houdt waarschijnlijk nog wel even aan.

Er is over zijn vertrek al veel gezegd, er ligt een persverklaring en ik heb er gisteren bij Nova ook een toelichting op gegeven. Voor het eerst in anderhalve week lijkt er enige ruimte te komen voor de andere kant van het verhaal: de grote verandering die Wijnand de afgelopen twintig jaar heeft ondergaan, zijn kwaliteiten als kamerlid en de begrenzing van burgerlijke ongehoorzaamheid en activisme.Het is wrang, zeker voor Wijnand, maar ik hoop van harte dat er de komende tijd een wat evenwichtiger beeld van hem en van activisme kan ontstaan.

Gisteren hebben Wijnand en ik allebei de oproep gedaan om een debat te starten over de jaren tachtig, het afleggen van verantwoording en de gewenste grenzen aan activisme en burgerlijke ongehoorzaamheid. Ik ben me ervan bewust dat mijn oordelen over illegale, buitenparlementaire acties de afgelopen anderhalve week hard waren.

Ik wilde en wil er geen misverstand over laten bestaan dat harde acties als inbraken, het publiceren van persoonsgegevens van ambtenaren en het aanzetten tot, of zelfs het gebruik van geweld voor een parlementaire partij als GroenLinks onacceptabel zijn. Elke suggestie dat GroenLinks omwille van haar idealen ruimte geeft aan wetsovertredingen die bij anderen worden veroordeeld, moet met kracht worden weersproken.

Dit neemt niet weg dat er daarnaast nog heel veel andere buitenparlementaire acties zijn die van groot maatschappelijk belang zijn. Demonstraties, petities, ludieke acties enz. enz. zetten de, soms noodzakelijke druk op de politieke besluitvorming en bieden de mogelijkheid van verweer en protest tegen onjuiste besluiten.

Ik realiseer me natuurlijk ook dat er situaties kunnen ontstaan waarbij burgers zo in gewetensnood zijn dat zij geen andere mogelijkheid meer zien dan ‘burgerlijke ongehoorzaamheid’. Ik herinner me bijvoorbeeld nog heel goed uit mijn eerste jaar als kamerlid dat witte illegalen de Agneskerk in Den Haag bezetten en daar een hongerstaking begonnen. Nu mag een bezetting niet, maar de wanhoop van de betrokkenen en de uitzichtloosheid van hun situatie maakten het – voor mij – onmogelijk om hierover een negatief oordeel te vellen.

Hoogleraar Kees Schuyt ontwikkelde al in de jaren zeventig een aantal criteria voor burgerlijke ongehoorzaamheid: ‘acties moeten gewetensvol zijn, geweldloos, er moet een samenhang bestaan tussen de actievorm en de doelstelling, de actievoerders moeten weloverwogen en openlijk te werk gaan, bereid zijn zich aan arrestatie en bestraffing bloot te stellen, legale middelen moeten zijn uitgeput, de rechten van anderen moeten in acht worden genomen’.

Vooral de eis dat je, als de wet is overtreden, bereid bent om je bloot te stellen aan arrestatie en vervolging is, volgens mij van groot belang. Dat betekent dat je weliswaar de wet overtreedt, maar dat je de procedures en de begrenzing van de democratische rechtsstaat erkent en aanvaardt. Dan ben je namelijk bereid je aan de straf te onderwerpen die bij wetsovertreding hoort en plaats je jezelf niet buiten of boven de wet.

Er is bij burgerlijke ongehoorzaamheid, tot slot, een groot verschil tussen burgers en politici, zeker als deze medewetgever zijn. Burgers kunnen, in uiterste omstandigheden, zelf het besluit nemen om ‘ongehoorzaam’ te zijn en de wet te overtreden. Ik kan en wil dat als parlementarier – die wetten mag maken – niet, en ik kan het ook  van mijn collega’s accepteren noch goedpraten.

Deel dit bericht
  • Facebook
  • Google Bookmarks
  • Blogplay
  • Hyves
  • LinkedIn
  • MSN Reporter
  • Twitter

Comments on this entry are closed.

Previous post:

Next post: