Feb
25
Vingeroefeningen in burgermoed

Vandaag sprak ik, op uitnodiging van de Abvakabo, bij een bijeenkomst voorafgaand aan de herdenking van de Februaristaking. Ik zei daar het volgende:
“We gaan 67 jaar terug in de tijd. Het is koud. Het ijs op de sloten is zo dik dat de Elfstedentocht enkele weken terug voor de zevende keer is gereden. Even leek het erop dat deze niet mocht doorgaan. Bang dat de schaatsers zouden demonstreren als verzet tegen de Duitse machtsovername. Maar dat verzet bleef uit.
Nog kouder werd het op 22 en 23 februari. En dat kwam niet door het zakken van de temperatuur. Het klimaat werd vooral ijzig na de eerste razzia’s in Amsterdam. 425 onschuldige joodse mannen werden gedeporteerd naar een concentratiekamp. Zij moesten boete doen voor de eigenaren van ijssalon Koco die zich niet zomaar lieten oppakken door de Nazi’s.
Wat doe je als jouw stad en jouw land in handen valt van een bezetter? Als je buurman David wordt opgepakt omdat hij joods is? Verontwaardigd en woedend zal je zijn. Maar heb je ook de moed om in opstand te komen? Met de kennis dat jou hetzelfde lot kan staan te wachten als David.
Twee mannen hadden de moed: Willem Kraan en Piet Nak. Twee individuen die het lukte duizenden mensen te mobiliseren tegen een misdadig regime. Door hen staan we 67 jaar later hier. En herdenken we de staking die zij in gang hebben gezet.
Het is veel makkelijker om moedig te zijn in tijden van vrede. Ik heb, zoals zovelen denk ik, mezelf vaak de vraag gesteld: zou ik de moed hebben gehad? Zou ik zijn opgestaan tegen de nazi’s. Zou ik met gevaar voor eigen leven – of nog erger, het leven van mijn kinderen – in verzet hebben durven komen tegen gewelddadige overheersers. Zou ik net als Willem Kraan en Piet Nak en al die anderen die samen met hen protesteerden, van zo’n “ongehoorde opstandigheid” hebben durven getuigen, zoals Geert Mak het eens verwoordde.
Ik hoop het. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen – en die eerlijkheid moet denk ik iedereen die nooit oorlog heeft gekend, betrachten – dat ik het niet weet. Ik weet niet of ik de moed heb om mijn leven te riskeren, simpelweg omdat ik nog nooit voor dit moeilijke, je leven definierende moment heb gestaan.
Elke ochtend breng ik mijn kinderen naar hun lagere school in de Amsterdamse Transvaalwijk. En elke ochtend bots ik op de gedenksteen in de centrale hal waarop staat: “ter herinnering aan de 152 Joodse Kinderen die in 1943 van de school zijn gedeporteerd.” Ik hoef u niet uit te leggen dat dit betekende dat de hele school werd leeggehaald.
Elke ochtend dwingt die steen me om me te bezinnen. En elke ochtend verwonder ik me. Over de 7 wonderlijke levens van een school. De school van mijn kinderen is een zwarte school – zoals dat in de volksmond heet. Het is vooral een grotestadsschool en een achterstandsschool.
Ik verwonder me over de vitaliteit van onze samenleving, hoe zij zich heeft hersteld na de verschrikkelijke oorlogsjaren. Ik verwonder me ook over de hardnekkigheid van problemen en conflict, onvergelijkbaar met de gruwelijkheid van de oorlogsjaren. Maar wel ernstig, in tijden van vrede en voorspoed.
Ik verwonder me over de segregatie. Over de opeenstapeling van culturele achterstand, armoede en gebrek aan kansen, bij veel van de ouders op de school van mijn kinderen. Ik maak me boos over de vooroordelen waaronder ze lijden, die hun toch al kleine maatschappelijke kansen nog kleiner maken. Over de grofheid en hardheid waarmee hun Islamitische geloofsovertuigingen worden veroordeeld. Over de vernedering die zij vanwege hun geloof en hun etnische herkomst bijna dagelijks moeten ondergaan.
Maar ik maak me ook boos over hún vooroordelen. Hun opvattingen over ongelovigheid en over anderszijn, die even bekompen en kwetsend kunnen zijn.
Wij mensen zijn hardleers. Wij kennen inmiddels in ons land meer dan een halve eeuw vrede. Maar dat wil niet zeggen dat het in Nederland altijd even vredig is. Zeker de afgelopen jaren hebben we een toename gezien van racistische incidenten. Wij zien dat de geloofsvrijheid van mensen wordt beschimpt. En we zien ook omgekeerd, dat geloof wordt gebruikt om anderen – ongelovigen, geloofsafvalligen – onvrij te maken.
Wij weten niet hoe moedig we zullen zijn als het er echt, echt op aan komt. Maar dat betekent niet burgermoed nu afwezig zou kunnen of mogen zijn. Juist de vrede, juist onze beschermde vrijheid, geeft ons de ruimte – en de plicht – om vingeroefeningen in burgermoed te doen.
Wat is burgermoed? Dat zijn natuurlijk de monniken in Birma. Dat is Perwez Kambakhsh, de Afghaanse journalist die ter dood veroordeeld is en wiens lot wij moeten veroordelen. Dat zijn al die mannen en vrouwen in Saudi-Arabië en Iran die zich verzetten tegen de Islamistische regimes. Dat is getto-radio in Nairobi in Kenia waar jonge mensen met hun reportages het verzet tegen het geweld proberen te mobiliseren.
Dat is burgermoed in oorlogsomstandigheden, de moed om tegen geweld op te staan.
Maar moedig op haar manier, is ook het meisje in Nederland dat zich bevrijdt uit de beklemming van familie en religieuze gemeenschap, ondanks dat ze verstoting riskeert. Moedig zijn bijvoorbeeld de werknemers die met het gevaar van ontslag, de vuile was van de bazen durven buiten te hangen. Moedig is de journalist die gegijzeld wordt omdat hij zijn bron beschermt. Moedig is altijd de enkeling die durft op te staan tegen het oordeel van de goegemeente, die zich vreedzaam verweert en zijn eigen weg durft te kiezen en te gaan.
Dit zijn geen mensen die oorlogen trotseren, maar wel mensen die in tijden van vrede, vingeroefeningen in burgermoed doen, en daardoor een voorbeeld voor ons zijn.
Politici, volksvertegenwoordigers, moeten een voorbeeld kunnen zijn. Zij moeten moed ten toon spreiden. Aan politieke vingeroefeningen in moed ontbreekt het nog wel eens. En wat betekent politieke moed?
Dat wij, politici, altijd de vrijheid van anderen om zich te uiten, verdedigen. Ook, of misschien juist, als we het ten diepste met hen oneens zijn. Ook als wij ons daarmee, tijdelijk of zelfs wat langer, wat minder in de gunst van de kiezer mogen verheugen.
Bij het verdedigen van het vrije woord hoort ook dat wij, politici en volksvertegenwoordigers, ervoor moeten waken dat wij onze tegenstanders de mond snoeren, beschimpen of veroordelen. Het gaat niet aan elkaar ‘lafaard’ te noemen of ‘levensgevaarlijk’. Het gaat niet aan om elkaars opvattingen in verband te brengen met geweld of totalitarisme, of het nou de holocaust is of de genocide in Rwanda. Daarmee doen we de uniciteit en gruwelijkheid van deze gebeurtenissen tekort – gruwelijkheid die vrijwel niemand van de huidige politici heeft ervaren – en daarmee kunnen wij het volk dat wij vertegenwoordigen, bang maken. De vrijheid van meningsuiting is een kwetsbaar goed, dat vooral duurzaam wordt beschermd als we wellevend en welsprekend zijn.
Wellevendheid, welsprekendheid en een respectvolle en open omgang met elkaar, ook als wij elkaar niet mogen of zelfs weerzinwekkend vinden, zijn misschien wel de belangrijkste vingeroefeningen in burgermoed. In de hoop dat, mochten wij ooit in vergelijkbare omstandigheden terechtkomen, de moed hebben die Willem Kraan en Piet Nak en al die anderen hebben betoond, die wij hier vandaag herdenken.
Dank u wel.”

